### DEEL 6
Ik staarde naar het bericht op mijn telefoon.
“Vertrouw niemand. Zelfs de politie niet.”
Mijn eerste gedachte was dat Anna bang was.
Mijn tweede gedachte was veel erger.
Misschien had ze gelijk.
De rechercheur stond naast de deur.
“Mevrouw, we moeten vertrekken.”
Ik stopte mijn telefoon in mijn zak.
“Ja.”
Maar ik zei niets over Anna's waarschuwing.
Ook niet tegen Thomas.
Voor het eerst sinds de dood van mijn kinderen wist ik één ding zeker:
Ik moest iedereen wantrouwen.
We reden naar het oude huis van mijn ouders.
Het stond aan het einde van een smalle straat, half verborgen achter hoge bomen.
Ik was hier al jaren niet meer geweest.
Toen ik uitstapte, voelde ik onmiddellijk een vreemde druk op mijn borst.
Alsof het huis mij herkende.
De voordeur kraakte.
Binnen hing nog steeds dezelfde geur.
Hout.
Stof.
En de zware parfum van mijn moeder.
In de woonkamer stond de oude klok.
Groot.
Donkerbruin.
Met een gebarsten glazen deur.
Ik liep ernaartoe.
Mijn vingers trilden.
“Wat zoek je?” vroeg Thomas.
“Mijn vader zei altijd dat ik achter de klok moest kijken.”
Ik opende de deur.
Niets.
Ik keek naar de achterkant.
Nog steeds niets.
Tot ik een klein metalen knopje zag.
Ik drukte erop.
Klik.
Een verborgen paneel sprong open.
Achter de klok zat een smalle ruimte.
Daarin lag een metalen doos.
De rechercheur trok hem eruit.
Op het deksel stond:
Dossier 17-B.
Mijn hart sloeg over.
“Open hem,” fluisterde ik.
De rechercheur deed het.
Binnen lagen foto's.
Tientallen.
Baby's.
Kinderen.
Families.
En medische dossiers.
Ik pakte de eerste map.
Een meisje.
Naam: onbekend.
Status: overleden.
Tweede map.
Een jongen.
Naam: onbekend.
Status: overgebracht.
Derde map.
Nog een kind.
Mijn handen begonnen te trillen.
“Hoeveel zijn het?”
De rechercheur keek door de stapel.
“Drieënveertig.”
Drieënveertig kinderen.
Drieënveertig levens.
Mijn vader had ze allemaal gevolgd.
Maar waarom?
Ik pakte een laatste map.
Op de voorkant stond:
Daan & Sem.
Ik kon nauwelijks ademhalen.
Ik opende hem.
Daarin stond alles.
Hun medische gegevens.
Hun bloedgroep.
Hun DNA.
En onderaan stond één notitie:
“Genetische match bevestigd.”
Ik keek naar Thomas.
“Match met wie?”
Hij pakte het dossier.
Zijn gezicht werd bleek.
“Met jou.”
Ik begreep het niet.
“Wat?”
“Niet alleen met jou.”
Hij wees naar een tweede regel.
“Moeder: onbekend.”
Mijn hart begon te bonzen.
“Maar ik ben hun moeder.”
De rechercheur keek naar het document.
“Volgens dit dossier niet.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Dat is onmogelijk.”
Toen viel er een klein papiertje uit de map.
Ik raapte het op.
Er stond maar één zin:
“De vrouw die hen opvoedt, is niet hun biologische moeder.”
Mijn lichaam werd koud.
Thomas keek naar mij.
“Wat betekent dit?”
Ik wilde antwoorden.
Maar op dat moment hoorde ik beneden een geluid.
Een deur.
De rechercheur trok zijn wapen.
“Blijf hier.”
Hij liep de gang in.
Wij hoorden voetstappen.
Daarna een harde klap.
“Politie!”
Geen antwoord.
Toen een schot.
Ik greep Thomas vast.
“Wat gebeurt er?”
Hij trok me achter zich.
Nog een schot.
Daarna stilte.
De rechercheur kwam de kamer binnen.
Zijn gezicht was gewond.
“Ga weg!”
“Wat?”
“Nu!”
“Wie was dat?”
Hij keek naar de deur.
“Er was iemand hier.”
“Wie?”
Hij antwoordde niet.
Toen zag ik iets achter hem.
Een zwarte handschoen.
Op de grond.
Dezelfde soort handschoen die op de beveiligingsbeelden van ons huis te zien was.
Ik raapte hem op.
Aan de binnenkant stond een klein merkteken.
V.D.
Mijn vaders initialen.
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Mijn vader…”
De rechercheur keek mij aan.
“Uw vader is misschien nooit overleden.”
Ik verstijfde.
“Wat?”
Hij pakte zijn telefoon.
“Er is zojuist een match binnengekomen.”
“Waarmee?”
“Met uw vaders vingerafdrukken.”
Thomas fluisterde:
“Dat kan niet.”
De rechercheur keek hem aan.
“Waarom niet?”
“Omdat mijn vader zeven jaar geleden is begraven.”
De rechercheur schudde zijn hoofd.
“Volgens de nieuwe gegevens is de persoon die toen begraven werd… niet uw vader.”
Mijn benen werden slap.
“Wie lag er dan in die kist?”
Niemand antwoordde.
Plotseling hoorde ik buiten een auto vertrekken.
Ik rende naar het raam.
Een zwarte auto reed weg.
Ik zag alleen de bestuurder.
Een man.
Grijs haar.
Hij keek omhoog.
Recht naar mij.
Ik kende dat gezicht.
Mijn hart stopte.
Mijn vader.
“Daar!”
De rechercheur rende naar buiten.
Maar de auto was al verdwenen.
Thomas stond naast me.
“Dat kan niet…”
Ik keek hem aan.
“Je zei dat je vader dit programma kende.”
Hij knikte langzaam.
“Ja.”
“En mijn vader werkte ermee.”
“Ja.”
Ik voelde een verschrikkelijke gedachte opkomen.
“Wat als onze vaders samenwerkten?”
Thomas antwoordde niet.
Toen ging mijn telefoon.
Een bericht.
Van Anna.
“Hij heeft je gevonden.”
Daaronder kwam nog een bericht.
“Ga niet naar de politie.”
Ik keek naar de rechercheur.
Hij stond midden in de woonkamer.
Zijn gezicht was gespannen.
Toen zei hij:
“Mevrouw…”
“Wat?”
“Ik moet u iets vertellen.”
Hij keek naar Thomas.
“Uw vader heeft ons jarenlang geholpen.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat bedoel je?”
“Hij werkte als informant.”
“Voor wie?”
Hij keek naar mij.
“Voor de politie.”
Ik voelde verwarring.
“Dus hij was geen moordenaar?”
De rechercheur zweeg.
Toen zei hij:
“Dat dacht iedereen.”
“Maar?”
“Hij werd zes jaar geleden officieel uit het programma gehaald.”
“Waarom?”
Hij keek naar de map van Daan en Sem.
“Omdat hij probeerde de kinderen te redden.”
Ik voelde tranen in mijn ogen.
“Mijn kinderen?”
Hij knikte.
“Uw vader ontdekte dat iemand binnen het programma bezig was met een laatste experiment.”
“Welk experiment?”
De rechercheur keek mij recht aan.
“Een experiment waarbij kinderen werden gebruikt om een bepaalde genetische eigenschap door te geven.”
Mijn adem stokte.
“Welke eigenschap?”
Hij antwoordde:
“Een eigenschap die volgens uw vader…”
Hij stopte.
“Wat?”
“Alleen in uw familie voorkwam.”
Ik keek naar mijn handen.
Toen naar de dossiers.
En ineens begreep ik waarom mijn kinderen waren uitgekozen.
Waarom mijn vader mij had verborgen.
Waarom Anna mij had moeten achterlaten.
En waarom iemand mijn zoontjes had vermoord.
Maar toen hoorde ik een stem achter ons.
Een stem die ik nooit meer dacht te horen.
“Omdat jij de laatste bent.”
Ik draaide me langzaam om.
In de deuropening stond een man.
Grijs haar.
Oude jas.
Koude ogen.
Mijn vader.
Hij keek mij aan.
En zei:
“En nu komen ze achter je aan.”






