DEEL 4 — DE MAN DIE IK DACHT TE KENNEN
“Wat staat erop?” vroeg ik.
Thomas zei niets.
Ik pakte de foto uit zijn hand.
De woorden stonden er duidelijk:
“KOM NIET ALLEEN. THOMAS IS NIET WIE JE DENKT.”
Ik keek naar hem.
“Wie heeft dit geschreven?”
“Ik weet het niet.”
“Ken je deze foto?”
Hij keek naar de grond.
“Ja.”
Mijn hart begon sneller te kloppen.
“Dus je hebt tegen me gelogen.”
“Nee.”
“Dan vertel je me nu alles.”
Thomas zuchtte.
“Mijn vader kende jouw moeder.”
“Dat weet ik.”
“Maar hij kende haar niet alleen.”
Hij liep naar het raam.
“Ze werkten ooit samen.”
“Waarover?”
“Over een netwerk.”
“Welk netwerk?”
Thomas keek me aan.
“Het netwerk dat mijn vader later overnam.”
Ik voelde een koude rilling.
“Dus mijn moeder werkte voor jullie familie?”
“Niet vrijwillig.”
“Wat deed ze?”
“Ze hield de boekhouding bij.”
Ik staarde hem aan.
“Mijn moeder was accountant?”
“Ja.”
“En mijn vader?”
“Hij wilde het netwerk blootleggen.”
Ik begon langzaam te begrijpen waarom mijn ouders altijd zo geheimzinnig waren geweest.
“Waarom verdween hij?”
Thomas antwoordde zacht:
“Omdat hij bewijs had.”
“Welk bewijs?”
“Een lijst met namen.”
“Van wie?”
“Van mensen die nog steeds macht hebben.”
Ik keek naar de foto van Anna.
“En mijn zus?”
Thomas zweeg.
“Thomas.”
Hij keek me aan.
“Anna was degene die de lijst in veiligheid bracht.”
“Hoe oud was ze?”
“Zes maanden.”
Ik fronste.
“Een baby kan geen documenten verbergen.”
“Dat deed ze ook niet.”
Hij haalde een oude sleutel uit zijn zak.
“Je moeder verborg de lijst in iets dat niemand zou verdenken.”
“Waar?”
Hij keek naar de piano.
“De melodie.”
Ik begreep het.
“De verboden melodie.”
Hij knikte.
“Elke noot staat voor een cijfer.”
“Dus het lied is een code.”
“Ja.”
Ik liep naar de piano.
Ik speelde de eerste reeks noten.
Thomas schreef de cijfers op.
Langzaam ontstond een nummer.
Een rekeningnummer.
Ik keek hem aan.
“Dit is een bankrekening.”
“Ja.”
“Waar?”
Hij controleerde zijn telefoon.
“Zwitserland.”
Ik voelde mijn adem stokken.
“Wat staat erop?”
“Bijna veertig miljoen euro.”
Ik keek hem geschokt aan.
“Van wie?”
Hij keek naar de naam.
Lotte de Jong.
Mijn eigen naam.
* * *
Op dat moment ging de deur open.
Een man stond in de gang.
Hij droeg een donker pak.
Ik herkende hem.
Dezelfde man die eerder in de villa was gezien.
Thomas trok zijn wapen.
“Wie ben jij?”
De man glimlachte.
“Je vader wacht.”
Mijn hart bonsde.
“Waar?”
“Bij je moeder.”
“Breng me naar haar.”
Thomas stapte voor mij.
“Niet zonder mij.”
De man lachte.
“Thomas…”
Hij schudde zijn hoofd.
“Je vader weet dat je hier bent.”
Thomas werd bleek.
“Dat kan niet.”
“Hij heeft je al die jaren gevolgd.”
De man keek naar mij.
“En hij weet dat jij nu de waarheid kent.”
Ik vroeg:
“Waarom wil hij mij?”
“Niet jou.”
Hij wees naar de piano.
“De code.”
Ik keek naar Thomas.
Hij fluisterde:
“Lotte, ren.”
De man trok plotseling een pistool.
Thomas duwde mij opzij.
Een schot.
Het raam sprong uiteen.
Thomas viel.
“THOMAS!”
Ik knielde naast hem.
Er zat bloed op zijn schouder.
“Ga!”
“Ik laat je niet achter.”
“De code…”
Hij greep mijn hand.
“Ze mogen hem nooit krijgen.”
Ik keek naar de piano.
De man kwam dichterbij.
Ik stond op.
“Je krijgt hem niet.”
Hij lachte.
“Je hebt geen keuze.”
Ik speelde opnieuw de melodie.
Maar deze keer speelde ik hem verkeerd.
De man stopte.
“Wat doe je?”
Ik speelde de laatste noten.
Er klonk een harde klik.
De vloer onder de piano schoof open.
Een verborgen ruimte.
De man keek geschokt.
“Waar is de sleutel?”
Ik glimlachte.
“Je zoekt de verkeerde plek.”
Ik pakte de oude cassette.
Daarop stond een tweede melodie.
Mijn moeder had die nooit voor mij gespeeld.
Ik drukte op play.
Haar stem klonk:
“Lotte, als je dit hoort, is Thomas waarschijnlijk gewond.”
Ik keek naar hem.
Hij keek mij aan.
Mijn moeder vervolgde:
“Vertrouw hem.”
De man werd woedend.
“Zet dat uit!”
Maar de opname ging verder.
“Thomas is de zoon van Hendrik.”
Een stilte.
“Maar hij is ook degene die mij dertig jaar geleden heeft geholpen te ontsnappen.”
Ik keek naar Thomas.
“Wat?”
Hij sloot zijn ogen.
“Het spijt me.”
Mijn moeder zei:
“Thomas heeft je altijd beschermd.”
De man richtte zijn pistool op hem.
“Dat was een fout.”
Toen klonk buiten een sirene.
Meerdere auto's stopten.
De man keek naar de deur.
Thomas fluisterde:
“Mijn vader heeft de politie niet gebeld.”
Ik keek hem aan.
“Wie dan?”
Hij antwoordde:
“Anna.”
Mijn telefoon ging.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
Een vrouwenstem fluisterde:
“Lotte…”
“Anna?”
“Ja.”
“Waar ben je?”
“Bij je moeder.”
“Is ze veilig?”
“Voorlopig.”
“Wie houdt haar vast?”
Anna zweeg.
Toen zei ze:
“Je vader.”
Mijn hart stopte.
“Mijn vader?”
“Ja.”
Ze begon te huilen.
“En Lotte…”
“Wat?”
“Je moet snel komen.”
“Waarom?”
“Want hij weet dat jij zijn dochter bent.”
Ik voelde mijn bloed koud worden.
“Maar dat wist hij toch al?”
Anna fluisterde:
“Nee.”
“Wat bedoel je?”
“Hij dacht dat jij dood was.”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek naar Thomas.
Hij keek mij aan.
“Lotte…”
“Wat?”
Hij wees naar de vloer.
Daar lag een oude geboorteakte.
Mijn naam stond erop.
Maar bij vader stond geen naam.
Alleen één woord:
ONBEKEND.
Thomas fluisterde:
“Je moeder heeft nooit verteld wie je echte vader is.”
En op dat moment begreep ik:
De man die ik mijn hele leven vader had genoemd, was misschien helemaal niet mijn vader.






