DEEL 3 — DE VROUW OP DE FOTO
De oude foto trilde in mijn handen.
Mijn moeder.
Hendrik.
En de man die ik al mijn hele leven mijn vader had genoemd.
Maar als Thomas de waarheid sprak, was mijn vader helemaal niet gestorven.
Hij was verdwenen.
Dertig jaar geleden.
Ik keek naar het adres op het papier.
Mijn oude ouderlijk huis in Rotterdam.
“Thomas, ik ga.”
Hij schudde zijn hoofd.
“Niet alleen.”
“Er stond duidelijk dat ik alleen moet komen.”
“Dat is precies waarom je niet alleen moet gaan.”
Ik keek hem aan.
“Je vader is verdwenen.”
“En misschien is hij ontvoerd.”
“Door mijn vader?”
Thomas zweeg.
“Je weet meer dan je vertelt.”
Hij keek weg.
“Mijn vader heeft me nooit alles verteld.”
“Maar jij weet iets.”
Na een lange stilte zei hij:
“Er is één kamer in dit huis waar ik als kind nooit mocht komen.”
“Welke kamer?”
“De muziekkamer.”
Ik fronste.
“Waarom?”
“Mijn vader zei dat daar niemand meer mocht komen.”
Ik keek naar de piano.
“Behalve ik.”
Thomas knikte.
“Precies.”
* * *
We verlieten de villa via een geheime uitgang.
De politie was onderweg, maar Thomas vertrouwde niemand meer.
Na twintig minuten rijden bereikten we Rotterdam.
Mijn oude huis stond er nog.
Kleiner dan ik me herinnerde.
Verwaarloosd.
De ramen waren bedekt met stof.
De voordeur stond open.
Ik bleef staan.
“Dat was vroeger nooit zo.”
Thomas trok zijn wapen.
“Blijf achter me.”
We gingen naar binnen.
De woonkamer was leeg.
Maar op de tafel lag een kopje thee.
Nog warm.
Mijn adem stokte.
“Iemand is hier.”
Thomas knikte.
“Ja.”
Ik liep naar de oude keuken.
Alles was precies zoals vroeger.
Dezelfde kast.
Dezelfde vloer.
Zelfs de kleine kras op de muur die ik als kind had gemaakt.
Toen hoorde ik iets.
Een piano.
Heel zacht.
Een paar tonen.
Ik draaide me om.
Thomas keek me aan.
“Waar komt dat vandaan?”
“De kelder.”
We liepen naar beneden.
Onderaan de trap stond een oude piano.
Ik kende hem niet.
Bovenop lag een vel muziekpapier.
Ik pakte het op.
De melodie.
Dezelfde verboden melodie.
Mijn handen begonnen te trillen.
“Dit lied…”
Thomas keek naar de noten.
“Ken je het?”
“Mijn moeder speelde het vroeger.”
“Waarom verbood ze jou het te spelen?”
“Ik weet het niet.”
Ik zette me aan de piano.
Mijn vingers raakten de toetsen.
Ik speelde de eerste vier noten.
Klik.
Er klonk een mechanisch geluid.
Thomas keek naar de muur.
“Wat was dat?”
Ik speelde de volgende noten.
Klik.
Een paneel sprong open.
Daarachter zat een kleine kluis.
Thomas keek verbaasd.
“Dat lied is een sleutel.”
Ik pakte een metalen doos uit de kluis.
Binnenin lagen foto's.
Brieven.
En een oud cassettebandje.
Op de eerste foto stond mijn moeder.
Ze was zwanger.
Naast haar stond Hendrik.
Maar op de achtergrond stond een derde man.
Mijn vader.
Op de achterkant stond:
“Drie mensen wisten de waarheid.”
Ik pakte de tweede foto.
Daarop stond mijn moeder met een baby.
Sanne.
Mijn hart stokte.
Ik had nooit geweten dat mijn moeder ooit een andere baby had gehad.
Ik keek naar Thomas.
“Wie is dit?”
Hij antwoordde:
“Je zus?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Mijn moeder zei dat ze nooit een kind vóór mij had.”
Thomas keek naar de foto.
“Dan heeft ze opnieuw gelogen.”
* * *
Ik stopte het cassettebandje in een oude speler.
Een krakende stem vulde de kamer.
Mijn moeders stem.
“Als Lotte dit ooit hoort, betekent het dat Hendrik zijn belofte heeft gebroken.”
Ik hield mijn adem in.
“Lotte, luister goed.”
Mijn ogen vulden zich met tranen.
“Je vader is niet verdwenen omdat hij vluchtte.”
Een korte stilte.
“Hij werd gedwongen te verdwijnen.”
Daarna kwam een andere stem.
Hendrik.
“Als je haar dit vertelt, zal ze nooit veilig zijn.”
Mijn moeder antwoordde:
“Ze heeft het recht de waarheid te kennen.”
“De waarheid zal haar doden.”
“Dan bescherm ik haar.”
Het bandje kraakte.
Toen zei mijn moeder:
“Lotte is niet ons enige kind.”
Ik keek naar Thomas.
“Wat?”
De opname ging verder.
“Er is nog een meisje.”
Mijn hart bonsde.
“Wie?”
Mijn moeder fluisterde:
“Anna.”
De opname stopte.
Ik stond op.
“Anna?”
Thomas keek naar mij.
“Wie is Anna?”
“Ik weet het niet.”
Toen hoorde ik boven ons een deur dichtslaan.
Thomas trok zijn wapen.
“Blijf hier.”
We gingen langzaam naar boven.
De voordeur stond open.
Niemand.
Maar op de stoep lag een envelop.
Mijn naam stond erop.
Ik opende hem.
Binnen zat een recente foto.
Een vrouw van ongeveer dertig jaar oud.
Donker haar.
Blauwe ogen.
Ze leek op mij.
Op de achterkant stond:
“JE ZUS LEEFT.”
Daaronder stond een adres.
Ik keek naar Thomas.
“Dit kan niet.”
Hij pakte de foto.
“Waarom niet?”
“Omdat mijn moeder zei dat Anna als baby was gestorven.”
Thomas keek me ernstig aan.
“Blijkbaar was dat weer een leugen.”
Mijn telefoon ging.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
Een vrouwenstem zei:
“Lotte?”
“Wie ben jij?”
“Ik ben Anna.”
Mijn hart stopte.
“Waar ben je?”
Een lange stilte.
Toen fluisterde ze:
“Op dit moment…”
Ze begon te huilen.
“…zit ik in dezelfde kamer als je moeder.”
Mijn bloed werd koud.
“Mijn moeder leeft?”
“Ja.”
“Waar?”
Anna antwoordde:
“Bij de man die jij je vader noemt.”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek naar Thomas.
“Mijn vader heeft mijn moeder.”
Maar Thomas keek niet naar mij.
Hij staarde naar de grond.
Daar lag een tweede foto.
Hij raapte hem op.
Zijn gezicht veranderde.
“Lotte…”
“Wat?”
Hij draaide de foto om.
Op de achterkant stond:
“KOM NIET ALLEEN. THOMAS IS NIET WIE JE DENKT.”
Ik keek naar hem.
Voor het eerst zag ik iets in zijn ogen wat ik nog nooit eerder had gezien.
Angst.






