DE STILLE PIANISTE SPEELDE VOOR DE STERVENDE MAFIABAAS — TOTDAT ÉÉN VERBODEN MELODIE HEM DE OGEN LIET OPENEN
News Story

DE STILLE PIANISTE SPEELDE VOOR DE STERVENDE MAFIABAAS — TOTDAT ÉÉN VERBODEN MELODIE HEM DE OGEN LIET OPENEN

0 weergaven

DEEL 3 — HET LIED DAT NIEMAND MOCHT HOREN

“Als je dit hoort, betekent het dat ik opnieuw ben gevonden.”

De stem uit de cassette was zacht.

Bijna fluisterend.

Maar voor Lotte voelde het alsof de hele kamer was gevuld met de stem van een geest.

Haar moeder.

Twintig jaar lang had ze geloofd dat Maria de Jong dood was.

Ze had haar graf bezocht.

Ze had bloemen neergelegd.

Ze had nachtenlang gehuild om een vrouw die volgens iedereen nooit meer zou terugkomen.

En nu stond diezelfde vrouw tegenover haar.

Levend.

Maar de cassette maakte alles nog erger.

“Wat bedoel je met opnieuw gevonden?” vroeg Lotte.

Maria keek haar aan.

“Niet hier.”

Thomas liep naar het raam.

“Ze hebben ons omsingeld.”

Buiten bewogen donkere schaduwen tussen de bomen.

Bewakers lagen op de grond.

Auto's stonden dwars over de oprijlaan.

“Hoeveel?”

“Te veel.”

Maria keek naar Hendrik.

“Hij heeft nog een veilige ruimte.”

Thomas draaide zich om.

“Waar?”

Hendrik glimlachte zwak.

“Onder het huis.”

Thomas keek hem ongelovig aan.

“Je hebt een bunker?”

“Een bunker die jij nooit mocht kennen.”

“Waarom?”

Hendrik sloot zijn ogen.

“Omdat ik wist dat jij ooit zou moeten vluchten voor mijn verleden.”

Er klonk opnieuw een schot.

Het raam naast Lotte sprong.

Thomas trok haar onmiddellijk naar beneden.

“Nu!”

Maria pakte de cassette.

Lotte greep de foto.

Thomas trok Hendrik voorzichtig uit het bed.

“Hij kan nauwelijks lopen.”

“Dan dragen we hem.”

Samen verlieten ze de kamer.

In de gang brandden alleen de noodlampen.

Rode lichten knipperden boven hun hoofd.

Het landhuis dat normaal zo stil en indrukwekkend was, voelde nu als een gevangenis.

Ze bereikten een donkere bibliotheek.

Thomas sloot de deur.

Hij liep naar een enorme boekenkast.

“Waar is de ingang?”

Hendrik wees naar een boek.

“De blauwe.”

Thomas trok het boek eruit.

Er gebeurde niets.

“Welke blauwe?”

“De derde plank.”

Thomas keek opnieuw.

Er stonden tientallen blauwe boeken.

“Pap!”

“Het boek met het gouden oog.”

Thomas vond het.

Hij trok eraan.

Een zware klik klonk.

De hele boekenkast schoof langzaam opzij.

Achter de kast verscheen een smalle trap.

Lotte staarde ernaar.

“Mijn god…”

Maria pakte haar hand.

“Kom.”

Ze daalden af.

Eén verdieping.

Twee.

Drie.

De lucht werd kouder.

Beneden opende Thomas een metalen deur.

Daarachter bevond zich een grote ondergrondse ruimte.

Schermen.

Computers.

Dossiers.

Kluizen.

En aan de muur hing een gigantisch overzicht met honderden namen.

Lotte liep langzaam naar voren.

“Wat is dit?”

Thomas keek naar zijn vader.

“Wat heb je hier beneden verborgen?”

Hendrik zei niets.

Maria liep naar de muur.

“Dit is waar hij dertig jaar lang zijn geheimen bewaarde.”

Ze wees naar de namen.

“Politici.”

“Politieagenten.”

“Bankiers.”

“Rechters.”

“En mensen die verdwenen.”

Lotte voelde haar maag omdraaien.

“Mijn moeder ontdekte dit?”

Maria knikte.

“Daarom moest ik verdwijnen.”

Thomas keek naar de dossiers.

“Maar waarom ben je teruggekomen?”

Maria keek hem aan.

“Omdat iemand de oude organisatie opnieuw heeft opgebouwd.”

Thomas fronste.

“Welke organisatie?”

Maria wees naar een symbool bovenaan de muur.

Een zwarte cirkel met een kleine kroon.

Thomas werd bleek.

“De Zwarte Kroon…”

Lotte keek hem aan.

“Wat is dat?”

“Een netwerk dat zelfs mijn vader niet volledig controleerde.”

Hendrik lachte zwak.

“Niemand controleerde de Zwarte Kroon.”

Maria keek naar hem.

“Jij hebt ze dertig jaar geleden geholpen.”

Hendrik antwoordde niet.

“En nu,” vervolgde Maria, “willen ze alles terug.”

Lotte keek naar de cassette.

“Daarom zoeken ze mij?”

Maria knikte.

“Niet alleen jou.”

Ze keek naar Thomas.

“Ook hem.”

Thomas schudde zijn hoofd.

“Waarom?”

“Omdat jullie allebei iets hebben wat zij nodig hebben.”

“Wat?”

Maria keek naar de piano die op een van de beveiligingsschermen te zien was.

“De code.”

Lotte voelde haar hart sneller slaan.

“Mijn lied?”

“Dat lied bestaat uit zeven delen.”

“Zeven?”

“Jij kent er maar één.”

Maria liep naar een oude computer.

Ze startte een bestand.

Op het scherm verschenen zeven muzieknoten.

Lotte staarde ernaar.

“Ik herken dit.”

“Dat dacht ik al.”

“Waar heb ik dit gezien?”

Maria keek haar aan.

“Toen je klein was.”

Lotte kreeg kippenvel.

“Ik herinner me niets.”

“Dat komt omdat ik wilde dat je het vergat.”

“Waarom?”

Maria slikte.

“Omdat jij de laatste sleutel bent.”

Plotseling klonk er een alarm.

Een rood lampje begon te knipperen.

Thomas keek naar het scherm.

“Ze zijn binnen.”

Hendrik keek naar zijn zoon.

“Hoeveel tijd?”

“Misschien twee minuten.”

Maria pakte de cassette.

“Dan moeten we vertrekken.”

Thomas schudde zijn hoofd.

“Nee.”

Hij keek naar de schermen.

“Als we vluchten, blijven ze ons achtervolgen.”

Maria keek hem scherp aan.

“Wat wil je doen?”

“Ik wil weten wie ze zijn.”

Thomas liep naar de centrale computer.

Hij typte een code in.

Het systeem vroeg om een wachtwoord.

IDENTITEIT BEVESTIGEN.

Thomas keek naar Hendrik.

“Pap?”

Hendrik fluisterde:

“Jouw geboortedatum.”

Thomas voerde hem in.

FOUT.

Hij probeerde opnieuw.

Niets.

“Wat is het wachtwoord?”

Hendrik keek naar Lotte.

“Niet mijn zoon.”

Thomas verstijfde.

“Wat?”

Hendrik wees naar Lotte.

“Het is haar geboortedatum.”

Lotte voelde haar adem stokken.

Thomas typte haar geboortedatum.

TOEGANG VERLEEND.

Het scherm veranderde.

Een geheim dossier verscheen.

Bovenaan stond:

PROJECT LOTTE

Lotte deed een stap achteruit.

“Nee…”

Thomas opende het bestand.

Er verschenen foto's.

Foto's van Lotte als kind.

Foto's van haar moeder.

Foto's van Hendrik.

En één foto waarop Lotte als vijfjarig meisje naast een onbekende man stond.

Thomas keek naar de naam onder de foto.

Zijn gezicht veranderde.

“Wie is dat?”

Lotte keek.

Ze kende hem.

Niet persoonlijk.

Maar ze had zijn gezicht honderden keren gezien.

Op oude krantenfoto's.

Op televisie.

In geschiedenisboeken.

Het was de man die officieel twintig jaar geleden was overleden.

De oprichter van de Zwarte Kroon.

Thomas fluisterde:

“Dat is onmogelijk.”

Hendrik sloot zijn ogen.

“Hij is niet dood.”

Lotte draaide zich naar haar moeder.

“Wie is die man?”

Maria antwoordde niet.

“Ma!”

Maria begon te huilen.

Toen zei ze eindelijk:

“Je vader.”

De wereld leek onder Lottes voeten weg te zakken.

“Wat?”

Thomas keek naar Maria.

“Je hebt haar altijd verteld dat haar vader bij een ongeluk is overleden.”

Maria knikte.

“Ik loog.”

Lotte voelde tranen in haar ogen.

“Waarom?”

Maria pakte haar hand.

“Omdat als jij ooit wist wie je vader was…”

Ze keek naar het scherm.

“…de Zwarte Kroon je nooit met rust zou laten.”

Boven hen klonk een zware explosie.

De hele bunker schudde.

Stof viel van het plafond.

Thomas pakte zijn wapen.

“Ze hebben de ingang gevonden.”

Hendrik keek naar Lotte.

“Luister goed.”

Zijn stem was zwakker dan ooit.

“Je vader is niet degene die je moet vrezen.”

Lotte keek hem aan.

“Wie dan?”

Hendrik keek naar Thomas.

Toen naar Maria.

En uiteindelijk naar de deur.

“Degene die mijn zoon heeft opgevoed.”

Op dat moment verscheen er een melding op het computerscherm.

EXTERNE TOEGANG VERKREGEN.

Daaronder verscheen één naam.

THOMAS VAN DER VELDE.

Thomas verstijfde.

“Ik heb niets gedaan.”

Maria keek hem angstig aan.

“Dat weet ik.”

De deur van de bunker begon langzaam open te gaan.

En aan de andere kant stond iemand die Thomas al zijn hele leven vertrouwde.