Het was kerstavond op het landgoed Moretti. De sneeuw lag dik op de oprijlaan en de grote kerstboom in de hal straalde van honderden lichtjes. Voor het eerst in dertig jaar brandde er een haardvuur in elke kamer van het huis, en de lucht was gevuld met de geur van kaneel, vanille en versgebakken koekjes uit Anna’s keuken.
De bibliotheek was omgetoverd tot een warme ontmoetingsplek. Aan de lange walnotenhouten tafel zaten Dante, Anna en Sophie gezamenlijk te eten, omringd door Luca, Enzo en Rosa, die nu als familie aan dezelfde tafel zaten. Geen stijve rangen of standen meer, maar een warme gemeenschap die door het vuur van de muziek en de liefde was samengebracht.
Na het eten stond Sophie op met haar roze ukelele in haar hand. Ze klom op een stoel, sloeg op de snaren en keek de huiskamer rond.
‘Dit liedje is voor oom Dante en mama,’ kondigde ze luid aan.
En toen begon ze te zingen—niet meer vals, maar met een heldere, zuivere stem die door het hele huis weerkaatste. Dante keek naar Anna, die naast hem zat met een glimlach vol tranen in haar ogen. Hij nam haar hand vast en verweven zijn vingers met de hare.
De maffiabaas die ooit geloofde dat liefde en muziek zwakheden waren, begreep nu pas dat het juist de enige krachten waren die de wereld werkelijk konden redden. Buiten viel de sneeuw zachtjes op de daken van het landgoed, terwijl de muziek nog lang bleef doorklinken in de winternacht. Het verleden kon niet worden gewist, maar de toekomst klonk mooier dan ooit tevoreen.





