De ijskoude bergwind snijdend als een scheermes door mijn kleding toen ik de beschutting van het dorp achter me liet. Het jagerspad dat Johann op de kaart had aangewezen, was nauwelijks herkenbaar onder de dikke laag verse sneeuw. Elke stap kostte moeite; mijn voeten zakten diep weg in de witte massa, en de stijging werd met de honderd meter steiler en verraderlijker.
Rondom mij torenden de zwarte, granieten rotswanden van de Stubaier Alpen omhoog, half verscholen achter een wervelende muur van witte sneeuwvlokken. De temperatuur was gedaald tot ver onder het vriespunt. Mijn adem wolkte zwaar voor mijn gezicht en mijn vingers begonnen ondanks de handschoenen gevoelloos te worden.
Toch voelde ik geen twijfel. De woede en de verwarring die me in Utrecht en Duitsland hadden beheerst, hadden plaatsgemaakt voor een ijzeren vastberadenheid. Cor — de man die mij nooit een knuffel had gegeven, die mij nooit verhalen voor het slapengaan had verteld, maar die wel vijftig jaar lang de loodzware last van een moordend geheim op zijn schouders had gedragen — was daarboven. Zijn kille afstandelijkheid was geen gebrek aan liefde geweest; het was zijn manier geweest om zichzelf te dwingen niet aan het verleden te denken, om mij te beschermen tegen de schaduwen van de familie Von Berg.
Na twee uur zwoegen bereikte ik een smalle richel die langs een diepe afgrond liep. Honderd meter beneden mij raasde een ijskoude bergbeek over rotsblokken. Het pad was hier spiegelglad ijs geworden.
Plotseling zag ik iets in de sneeuw liggen. Ik boog me voorover en raapte het op. Het was een houten wandelstok met een handgesneden knop in de vorm van een eikenblad. Cor's wandelstok.
Er waren ook voetafdrukken, half uitgewist door de opstekende storm. Maar het waren niet de afdrukken van één persoon. Er waren sporen van ten minste twee paar zware berglaarzen die over de afdrukken van de oude man heen liepen.
Marcus Von Berg en zijn handlangers zaten vlak voor mij.
Ik versnelde mijn pas, de gevaren van de spiegelgladde richel negerend. De klim werd een wanhopige sprint tegen de elementen. De schemering begon in te vallen en veranderde de bergwereld in een duister, blauwgrijs landschap vol dreigende schaduwen.
Uiteindelijk, na nog een steile klim door een dicht dennenbos, opende het terrein zich naar een klein plateau. Daar, aan de voet van een massieve rotswand, stond de Jagdhausalm: een vervallen, stenen hut met een zwaar houten dak dat onder het gewicht van de sneeuw leek te bezwijken.
Er brandde licht achter de kleine, beslagen raampjes van de hut.
Ik naderde de hut via de zijkant, gebruikmakend van de dekking van de dikke dennenbomen. Bij het raam bleek de ruit bedekt met ijsbloemen, maar door een klein helder hoekje kon ik naar binnen kijken.
Mijn maag kromp samen van afgrijzen.
Binnen in de schaars verlichte ruimte zat Cor vastgebonden op een oude houten stoel. Zijn gezicht was bleek en getekend door uitputting en kou. Vlak voor hem stond een rijzige man in een dure, legergroene donsjas — Marcus Von Berg. Marcus hield een pistool in zijn hand, gericht op het voorhoofd van de oude man.
Naast Marcus stond een zwaargebouwde handlanger die met een breekijzer de houten vloerdelen van de hut openbrak.
"Ik vraag het je voor de laatste keer, oude man," klonk de stem van Marcus, gedempt door het dikke glas van het raam. "Waar is de koperen kist? De eigendomspapieren van het Von Berg-landgoed en de kluissleutels van de bank in Zürich liggen niet in dit krot. Waar heeft mijn oom ze verborgen?!"
Cor keek op. Ondanks zijn zwakte en de loop van het wapen tegen zijn voorhoofd, lag er een trotse, bijna spottende blik in zijn oude ogen.
"Je krijgt ze nooit, Marcus," zei Cor met een zwakke, maar onbuigzame stem. "Arthur heeft ervoor gezorgd dat het rechtstreeks naar zijn rechtmatige erfgenaam gaat. En jij... jij bent net zo'n misdadiger als je vader."
Marcus gelaat vertrok van woede. Hij spande de haan van het pistool. "Dan sterf je hier, net als hij. En je zogenaamde zoon volgt snel."
Ik kon niet langer toekijken. Ik greep een zware, scherpe steen die bij de fundering van het raam lag, en beukte met al mijn kracht tegen de houten deur van de hut.





