HET GEHEIM VAN HET SPAARNE
News Story

HET GEHEIM VAN HET SPAARNE

19 weergaven

De chemische rook stroomde met een sissend geluid door de ventilatieroosters het plafond binnen. Binnen enkele seconden werd de lucht stikkend heet en vulde de smalle gang zich met een bijtende, witte nevel die mijn ogen liet branden en mijn longen dichtknijpten.

"Traangas!" hoestte Thomas heftig. Hij trok zijn shirt over zijn neus en mond en zakte naar de vloer, waar de lucht iets schoner was. "Ze willen ons uitroken of verstikken!"

Ik graaide wild naar de zwarte lederen tas, het cassettebandje en het scheepslogboek op de stalen tafel in kluis B-407. Ik propropte alles gehaast in mijn rugzak en trok de rits dicht. Mijn handpalm brandde van het contact met het doordrenkte metaal, maar de schat was binnen.

"Thomas! De deur!" schreeuwde ik, terwijl ik op mijn knieën naar de zware kluisdeur kroop.

Als we de zware stalen kluisdeur van B-407 dicht konden trekken, zouden we afgesloten zijn van de toxische rook in de gang. Maar we zouden ook opgesloten zitten in een luchtdichte stalen kamer zonder uitweg.

"Nee! Niet dichtdoen!" riep Thomas door zijn kleren heen. "Als we de kluis ingaan, stikken we door gebrek aan zuurstof! We moeten door de ventilatieschacht!"

Hij wees naar het rooster boven de kluis waar de rook uit stroomde. Het rooster was vastgeschroefd met vier zware bulten op de betonnen muur.

Thomas sprong op, negeerde de snijdende pijn in zijn ogen en ramde met de stalen koevoet tegen het rooster. Het oude metaal boog door onder de klappen, maar hield stand. Ik greep een zware stalen doos die op een plank stond en sloeg met al mijn kracht mee op de hoek van de steunbalk.

Met een harde knal brak het cement rond de bouten af. Het ventilatorrooster viel met een kletterend geluid op de grond.

Achter het rooster gaapte een schacht van amper vijftig centimeter breed, doordrenkt van oud roet en spinnenwebben. Er kwam een lichte, koele luchtstroom uit.

"Klimmen! Nu!" schreeuwde Thomas.

Hij hielp me omhoog. Ik wurmde me als eerste door het smalle gat de duistere schacht in. De schacht liep steil omhoog. Mijn knieën en ellebogen schuurden langs het ruwe beton, maar de gedachte aan de verstikkingsdood gaf me bovenmenselijke kracht. Thomas volgde direct achter me.

Achter ons hoorden we het geluid van zware laarzen die door de keldergang marcheerden. De mannen van Willem hadden het luik geopend en waren binnengedrongen met gasmaskers op.

"Ze zijn weg!" hoorde ik een gedempte stem beneden roepen. "Het ventilatorrooster is gesloopt! Ze zitten in de schacht!"

"Schiet de schacht in!" klonk de ijzig bekende voice van Willem van der Meer.

Meedogenloze schoten weerklonken door het metalen kanaal. De kogels ketsen af op het beton vlak onder Thomas’ voeten, met een verdovend lawaai dat onze trommelvliezen bijna deed scheuren.

We kropen voor ons leven. De schacht maakte een scherpe bocht naar links en mondde ten slotte uit bij een verroest roosters op het dak van een van de opslagloodsen van de visafslag.

Ik beukte met mijn schouders tegen het rooster tot het meegaf. We rolden het dak op, rillend, hoestend en snikkend naar schone lucht.

De ochtendzon begon langzaam door de mist van IJmuiden te breken en wierp een kille, gouden gloed over de kade. Maar er was geen tijd om te rusten.

Beneden op de kade zag ik een gruwelijk tafereel.

Klaas de Haan lag op de grond, omringd door drie gewapende mannen. Willem van der Meer stond over hem heen gebogen, zijn pistool recht op Klaas’ hoofd gericht. Klaas was te zwak geweest om te vluchten.

"Geef op, Henk!" schreeuwde Willem omhoog naar het dak. hij wist dat we er stonden. "Ik heb je vriend Klaas! Als je die rugzak niet binnen tien seconden naar beneden gooit, blaas ik zijn hersenen over de kade!"

Ik keek naar Thomas. Zijn gezicht was bedekt met roet, zijn ogen stonden wild. "Als je de tas gooit, vermoordt hij ons alsnog," fluisterde Thomas. "Willem laat niemand leven die zijn geheim kent."

Klaas keek vanaf de grond omhoog naar het dak. Ondanks het bloed op zijn gezicht en de loop van het pistool tegen zijn voorhoofd, verscheen er een spottende grimlach op zijn lippen.

"Niet doen... Henk!" schreeuwde Klaas met zijn laatste krachten. "Laat deze hond... niet winnen!"

Willem van der Meer aarzelde geen seconde.

Pfft.

Het gedempte schot weerklonk. Klaas’ lichaam schokte één keer en werd toen bewegingloos.

"Neeee!" schreeuwde ik, overmand door een woede die al mijn verstand uitschakelde.

Willem keek koud omhoog en richtte zijn pistool nu op het dak. "Jullie beurt, jongens."

"WEG HIER!" schreeuwde Thomas, en hij sleurde me mee over het dak van de loods.

We sprongen van het ene dak op het andere, terwijl beneden de mannen van Willem het vuur openden. Kogels floten door de lucht en sloegen gaten in de golfplaten. We lieten ons aan de achterzijde van de loods via een regenpijp naar beneden zakken en doken een steeg in vol verroeste afvalcontainers.

We renden totdat onze longen brandden, door de industriële steegjes van het havengebied, totdat het geluid van schoten en geschreeuw vervaagde in de verte.

Uren later zaten we diep weggedoken in het ruim van een verlaten vrachtschip dat aan een dode kade lag. We waren doornat, uitgeput en gebroken. Klaas de Haan was dood. Mijn moeder was dood. We waren opgejaagd wild in een provincie waar de jager de leiding had over de politie.

Ik zakte op de stalen vloer van het ruim en trok de rugzak open.

Ik haalde het cassettebandje en het scheepslogboek tevoorschijn. Mijn vingers trilden zo erg dat ik het bandje bijna liet vallen.

"We kunnen dit niet naar de politie in Haarlem brengen," zei Thomas, terwijl hij zijn wond op zijn voorhoofd verzorgde met een schone doek. "Willem controleert het hele district. Als we het politiebureau binnenstappen, verdwijnt het bewijs in de papierversnipperaar en worden wij 'neergeschoten tijdens onze arrestatie'."

"Waar dan heen?" vroeg ik mat. "Wie kunnen we nog vertrouwen?"

Thomas keek me strak aan. "Niemand in deze provincie. We moeten naar Amsterdam. Naar het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie. Maar om daar te komen, moeten we door het gebied dat Willem heeft afgezet."

Ik sloeg het dikke, in leer gebonden scheepslogboek van mijn vader open. Op de vergeelde pagina’s stonden niet alleen navigatiegegevens, maar ook data, bedragen en namen. Namen van officieren van justitie, douaneambtenaren, en burgemeesters. Het was een heel netwerk van corruptie dat dertig jaar lang had gefunctioneerd.

En achterin het boek zat een kleine, gevouwen landkaart gekleefd.

Ik vouwde de kaart open. Er stond een rode cirkel getekend om een afgelegen landhuis in de duinen bij Zandvoort, met een handgeschreven notitie van mijn vader:

'Willems echte kluis. Hier ligt het geld van de smokkeloperaties. Als de boot zinkt, is dit de schuilplaats.'

Thomas boog zich over de kaart. Zijn ogen begonnen te glunderen met een gevaarlijk licht.

"Willem denkt dat hij gewonnen heeft omdat hij Klaas heeft gedood," fluisterde Thomas. "Hij verwacht dat we naar Amsterdam vluchten om de opnames in te leveren. Maar als we zijn geldstroom en zijn schuilplaats vernietigen..."

"Dan dwingen we hem om uit zijn hol te komen," maakte ik zijn zin af.

Op dat moment trilde mijn telefoon in mijn zak. Het was een nummer dat niet in mijn contacten stond.

Ik nam op met een inhoudende ademhaling.

"Henk..." klonk een vervormde, elektronische stem door de speaker. "Je hebt iets wat van mij is. En ik heb iets wat van jou is."

"Willem..." snauwde ik.

"Kijk eens goed naar de foto die ik je nu stuur," zei de stem, en de verbinding werd verbroken.

Eén seconde later kwam er een tekstbericht binnen met een afbeelding.

Het was een foto van mijn twintigjarige dochter, Sophie, geboeid aan een stoel in een donkere, bakstenen kelder...