De koude motregen sloeg wreed in mijn gezicht toen ik me door het smalle dakraam wurmde. De pannen van het steile, rode dak van ons ouderlijk huis waren verraderlijk glad. Mijn voeten gleed weg, maar Thomas greep mijn pols net op tijd vast met een greep van staal.
"Klem je vingers tussen de dakpannen! Niet naar beneden kijken!" snauwde Thomas door het gehuil van de wind.
Achter ons klonk een doffe explosie. Het zolderluik was opengetrapt. Een schot weerklonk en een kogel ketste met een scherp fluitend geluid af op de bakstenen schoorsteen vlak boven onze hoofden. Stukjes cement spatten in mijn ogen.
We kropen als opgedreven wild over de nok van de aaneengeschakelde grachtenpanden. Beneden in de straat zag ik het flikkeren van de zwaailichten van de politie, maar ze stonden aan de voorkant, terwijl de mannen die mijn moeder hadden neergeschoten via de achterzijde waren binnengedrongen. Alles was een gecoördineerde valstrik. Willem van der Meer had de regie strak in handen.
Na drie huizen te zijn doorgekropen, wenkte Thomas me naar een openstaand zolderraam van een leegstaand pand dat verbouwd werd. We lieten ons doornat en rillend op de houten steigerplanken binnen vallen.
Ik zakte tegen de ruwe muur op de grond. Mijn ademhaling was een schor gepijp. Het beeld van mijn moeder, liggend op het tapijt met een kogel door haar borst, brandde op mijn netvlies. De vrouw die mij had opgevoed, die me soep kookte als ik ziek was... een crimineel, een medeplichtige, en nu een lijk op een overloop.
"Mijn moeder..." bracht ik er stotterend uit. "Ze hebben haar vermoord..."
"Als je niet snel je kop erbij houdt, ben jij de volgende," zei Thomas hard. Hij zat op zijn knieën bij het raam en hield de daken in de gaten, het pistool nog steeds schietklaar in de hand. "Willem laat geen getuigen leven. Hij gebruikt zijn politiemacht om het terrein af te zetten, en zijn eigen huurlingen om het vuile werk op te knappen."
"Wie ben jij eigenlijk echt, Thomas?" vroeg ik, terwijl ik het zilveren doosje in mijn handschoenen klemde. "Hoe weet jij dit allemaal?"
Thomas keerde zich om en keek me strak aan. "Ik ben opgegroeid in Hamburg. Mijn moeder dacht dat Pieter een succesvolle Nederlandse zakenman was die vaak op reis moest. Maar drie jaar geleden vond ik documenten in zijn kluis. Ik ontdekte wie hij werkelijk was: Pieter van Vliet, de verdwenen visser uit Haarlem. Toen ik hem ermee confronteerde, biechtte hij alles op. Hij was niet trots op wat hij had gedaan. Hij wilde eruit stappen, het geld teruggeven aan Klaas de Haan. Maar Willem liet hem dat niet toe. Willem heeft hem in een nep-autooneluk in Duitsland laten omkomen."
Hij wees naar het doosje in mijn hand. "Wat heeft Annie je gegeven?"
Mijn vingers trilden toen ik het zilveren doosje bekeek. Het was een antiek sigarettendoosje van mijn grootvader, versierd met gegraveerde zeilboten. Ik zocht naar de sluiting en drukte op de kleine knop aan de zijkant. Het deksel sprong open.
Binnenin lag geen geld of juwelen. Er lag een zware, koperen sleutel met een afwijkende vorm, gestanst met het nummer 'B-407', en een klein, opgevouwen briefje op dun vloeipapier.
Met moeite ontvouwde ik het papier onder het zwakke licht van straatlantaarns dat door het raam scheen. Het handschrift van mijn moeder was gehaast en slordig, geschreven met een trillende hand:
"Henk, m’n lieve jongen. Als je dit leest, is de duisternis die ons gezin al tien jaar achtervolgt eindelijk over ons heen gekomen. Vergeef me. Pieter en Willem hebben de broer van Klaas, de jonge Jacob, vermoord op de boot. Ze hebben zijn gezicht onherkenbaar verminkt en hem met Pieters kleding de zee in gegooid. Willem heeft de politieonderzoeken vervalst. De kluis in de haven van IJmuiden (B-407) bevat de audio-opnames van Pieters laatste gesprekken met Willem. Het is het enige bewijs dat Willems rijk opgebouwd is op bloed en chantage. Zoek Klaas. Hij is de enige die weet hoe je de kluis moet openen zonder dat het alarmsysteem afgaat. Pas op voor de man met het litteken... maar pas nog meer op voor de man in het uniform."
Ik las de tekst drie keer opnieuw. Mijn vader was niet alleen een moordenaar; het plan was van een weerzinwekkende wreedheid geweest. Een jonge visser, Jacob de Haan, was slachtoffer geworden van hun meedogenloze hebzucht.
"De sleutel van kluis B-407 in IJmuiden," fluisterde ik, en ik liet het doosje aan Thomas zien.
Thomas’ ogen vernauwden zich. "Als die audio-opnames echt bestaan, is Willem van der Meer er binnen 24 uur aan. Maar IJmuiden is een vesting. Willem controleert de zeehaven. Zodra we in de buurt van die kluis komen, staan we in zijn vizier."
"We moeten Klaas vinden," zei ik beslist. Een vreemde, kille vastberadenheid nam bezit van mij. Angst maakte plaats voor een duistere drang naar rechtvaardigheid. Mijn moeder was dood, mijn jeugd was een leugen, en de verantwoordelijke man zat in het politiebureau van Haarlem bevelen uit te delen. "Klaas zei dat hij terug was gekomen om terug te nemen wat van hem was. Hij is gewond. Hij vluchtte via de achtertuin."
"Klaas is geen heilige, Henk," waarschuwde Thomas. "Hij zint al tien jaar op wraak. Als hij ontdekt dat jij de zoon van Pieter bent, schiet hij misschien wel eerst op jou voordat hij luistert."
"Hij had de kans om mij neer te schieten toen ik bij mijn moeder binnenkwam," antwoordde ik. "Dat deed hij niet. Hij wilde dat ik de waarheid zag."
Plotseling klonk beneden in het leegstaande pand het piepen van een portofoon.
"Groep 2, hier controleur. Het spoor loopt dood op de daken. Doorzoek de leegstaande panden aan de gracht. Schiet op scherp als je ze ziet."
De stem over de portofoon was onmiskenbaar die van Willem van der Meer.
Thomas keek me aan en knikte. hij stak zijn pistool in zijn riem. "We gaan via het souterrain. Ik ken de rioleringspijpen die uitkomen bij het Spaarne. Als we daar zijn, kunnen we het spoor van Klaas z'n bloed volgen."
We zakten via de donkere trappen van het pand af naar beneden. Elk krakend houtje deed mijn hart in mijn keel springen. Toen we de vochtige kelder bereikten, rook ik de scherpe, zilte lucht van het rivierwater.
We wrikten een houten luik open en kropen een smalle, stenen tunnel in die uitmondde aan de waterkant van het Spaarne. Het koude water reikte tot onze knieën. We doken onder de schaduw van een houten steiger net op het moment dat een politieboot met een krachtige schijnwerper over het wateroppervlak gleed.
De lichtstraal veegde over de stenen muur, centimeters boven onze hoofden.
Toen de boot voorbij was, wees Thomas naar de drassige oever aan de overkant van de gracht. Onder een oude, roestige ijzeren brug zag ik een donkere gedaante op de grond zitten, leunend tegen een betonnen pijler.
Een zwak, rood lichtje flikkerde op in de duisternis. Het was de gloed van een sigaret.
"Klaas..." fluisterde ik.
We wadeden door het ijskoude water naar de overkant. Toen we de schaduw van de brug binnentraden, klikte het geluid van een doorgeladen geweer door de tunnel.
"Eén stap dichterbij," klonk de rauwe voice van Klaas uit de duisternis, "en ik blaas jullie hoofden van jullie romp. Maakt niet uit wiens zonen jullie zijn."






