Ik kneep mijn ogen stijf dicht, overtuigd dat mijn hersenen me voor de gek hielden. Maar toen ik ze weer opende, stond hij er nog steeds. Een jongeman van hooguit vijfentwintig jaar oud, strak in de ogen, met exact de gebogen neus, de brede kaak en de doordringende groene ogen die mijn vader op oude familiefoto’s bezat.
Hij hield het pistool met een professionele rust vast, de geluidsdemper strak omhoog gericht op het zolderluik waaronder ik me schuilhield.
"Ik weet dat je daar bent, Henk," zei de jongen. Zijn stem was jong, maar bevatte een ijzige, emotieloze toon die me het bloed in de aderen deed stollen. "Kom naar beneden. We hebben niet veel tijd voordat Willem zijn mannetjes terugstuurt om het Huis schoon te vegen."
Mijn keel was zo droog als schuurpapier. "Wie... wie ben jij?" bracht ik uit, terwijl ik me langzaam uit de schaduw van het zolderluik liet zakken. Mijn handen trilden zo erg dat ik bijna van de houten ladder gleed.
De jongen liet de loop van zijn pistool iets zakken, maar zijn vinger bleef strak op de trekker rusten. "Ik ben Thomas," zei hij kortaf. "En als je het echt wilt weten: ik ben je halfbroer. De zoon die Pieter de Haan — of hoe je die klootzak van een vader van ons ook wilt noemen — verwekt heeft nadat hij zijn eigen dood in scène zette en naar Duitsland vluchtte."
De wereld leek onder mijn voeten weg te maaien. Mijn vader had niet alleen een moord gepleegd en een miljoen euro aan bloedgeld achtergelaten; hij had elders een heel nieuw leven opgebouwd, met een nieuw gezin, terwijl ik tien jaar lang om hem had getreurd.
"Dat... dat kan niet," fluisterde ik, terwijl ik op de overloop stapte. "Mijn moeder..."
"Jouw moeder wist van alles," onderbrak Thomas me genadeloos. Hij wees met de geluidsdemper naar de gesloten deur van mijn moeders slaapkamer. "Ze heeft al die jaren het geld beheerd en doorgesluisd naar de zakelijke accounts van Willem van der Meer en mijn vader. Zij was het spilpunt van de hele operatie. En jij, Henk... jij was alleen maar het perfecte dekmanteltje. De naïeve, loyale zoon die elke woensdag braaf op de koffie kwam, zodat niemand argwaan zou krijgen."
Elk woord dat Thomas sprak, voelde als een mokerinslag op mijn ziel. Veertig jaar lang had ik geloofd in de liefde van mijn gezin. Het bleek niets meer dan een doordacht theaterstuk te zijn waarin ik de hoofdrol van de nuttige idioot speelde.
"Waarom ben je hier, Thomas?" vroeg ik, terwijl ik mijn best deed om mijn stem stabiel te houden. "Als jij zijn zoon bent, waarom loop je dan rond met een geweer met geluidsdemper?"
Thomas lachte bitter, een geluid zonder enige vreugde. "Omdat onze 'lieve papa' een half jaar geleden is vermoord. Willem van der Meer heeft hem laten opruimen toen mijn vader meer geld begon te eisen. En nu wil Willem alle losse eindjes aan elkaar knopen. Dat betekent: Klaas de Haan, jouw moeder... en jij."
Op dat moment ging het licht op de overloop ineens aan.
Mijn moeder stond in de deuropening van haar slaapkamer. Ze droeg haar oude, versleten ochtendjas en klemde haar trillende handen om een klein, zilveren doosje. Haar gezicht was grauw, alsof de dood haar al op de schouder had getikt.
"Thomas..." fluisterde ze met schorre stem. "Je had hem hier niet bij moeten betrekken. Henk weet van niets. Hij is onschuldig!"
"Niemand in deze familie is onschuldig, Annie!" snauwde Thomas, en hij richtte het wapen opeens op mijn moeder. "Je hebt mijn moeder jarenlang voorgelogen. Je hebt toegestaan dat Willem mijn vader liet liquideren toen hij onhandig werd. Waar zijn de sleutels van de kluis in IJmuiden? Geef ze me, of ik beëindig dit hier en nu."
"Laat haar met rust!" schreeuwde ik. Zonder na te denken deed ik een stap naar voren en ging tussen Thomas en mijn moeder staan. De pikzwarte opening van de geluidsdemper was nu op mijn borst gericht.
"Stap opzij, Henk," zei Thomas koud. "Je begrijpt niet in wat voor wespennest je bent beland. Willem van der Meer heeft het hele politiecorps van Haarlem en de haven van IJmuiden in zijn zak. Die koffer op zolder met dat geld is niks vergeleken bij wat er in die kluis ligt. Daar liggen de bewijzen van de smokkelroutes die jouw vader en Willem twintig jaar lang hebben gebruikt."
"Thomas, alsjeblieft..." smeekte mijn moeder. "Het geld is vervloekt. Het heeft Pieters ziel gekost, het heeft het leven van Klaas z'n broer gekost, en nu maakt het alles kapot."
Plotseling klonk er een hard geluid van beneden. Het was het breken van glas van de keukendeur op de begane grond.
Zware, gehaaste voetstappen drongen de gang binnen. Thomas reageerde bliksemsnel. Hij draaide zich om naar het traphuis, zette zijn pistool op scherp en vuurde twee geruisloze schoten af. De kogelhulzen vielen met een zacht 'tink-tink' op het tapijt.
Beneden klonk een gedempte schreeuw van pijn, gevolgd door het meedogenloze geluid van een automatisch wapen dat de overloop onder vuur nam. Houtsplinters en gips van het plafond vlogen ons om de oren.
"Ze zijn er!" schreeuwde Thomas. Hij greep me bij mijn kraag en trok me mee naar de zoldertrap. "Als we hier blijven, gaan we eraan! Kom op!"
Mijn moeder struikelde en viel op de grond. Ik wilde naar haar toe rennen, maar ze keek me met wijdgeopende, smekende ogen aan en duwde het zilveren doosje dat ze vast had over de vloer naar mij toe.
"Rennen, Henk! Red jezelf! Neem het doosje mee!" schreeuwde ze.
De deur van de overloop werd opengetrapt. Twee mannen in zwarte tactische kleding en bivakmutsen kwamen met getrokken wapens naar boven. Thomas vuurde terug en raakte de voorste man in zijn schouder, maar de tweede man richtte zijn wapen recht op mijn moeder.
"Nee!" schreeuwde ik.
Een gedempt 'pfft-pfft' weerklonk. Ik zag mijn moeder achterover slaan tegen de muur. Haar ogen bleven openstaan, staarend naar het plafond, terwijl de rode vlek op haar borst zich razendsnel verspreidde.
Thomas sleurde me met brute kracht de zoldertrap op en gooide het luik dicht. Hij schoof een zware houten balk over de greep om de toegang te blokkeren. Boven op de donkere zolder stonden we hijgend tegenover elkaar, terwijl beneden de stootslagen tegen het luik begonnen.
"Ze komen er zo doorheen," zei Thomas, terwijl hij naar het kleine dakraam rende en het met een krachtige duw openbeukte. De koude nachtlucht en de motregen waaierden naar binnen. "We moeten via het dak naar de buren!"
Ik keek naar mijn handen. Ze waren bedekt met het bloed van mijn moeder, en in mijn linkerhand klemde ik het zilveren doosje dat ze me op het laatste moment had gegeven. Mijn moeder was dood. Vermoord voor mijn ogen. Mijn hele wereld was in een paar uur tijd veranderd in een bloedige nachtmerrie.
Thomas klom al uit het dakraam, zijn silhouet strak afgestoken tegen de verlichte mist van Haarlem.
"Klim, Henk! Nu! Of je sterft hier op de houten vloer naast de leugens van je vader!"
Het hout van het luik begon onder het geweld van de aanvallers te splinteren. Een zwarte loop duwde door het brekende hout omhoog...






