De explosie die volgde transformeerde de stilte van de vroege ochtend in een gอนุ de hel.
De diesel-opslagtank op de kade uit elkaar spatte in een gigantische vuurbal die tientallen meters de lucht in geschoten werd. De drukgolf blies de ruiten van de stuurhut van de HA-14 aan gruzelementen. De zwarte SUV van Willem van der Meer werd door de kracht van de klap op zijn zijkant geworpen, omringd door een muur van oplaaiende vlammen.
"Los die trossen! NU!" schreeuwde Klaas door het gedonder van het vuur.
Thomas sprong over de reling naar het dek, greep een zware bijl die aan de wand hing en hakte met twee krachtige slagen de dikke meerpalen door. De HA-14 kwam los van de steiger.
Ik trok de hendel van de scheepsmotor helemaal naar achteren. De oude dieselmotor brulde, de schroef sloeg wild in het water, en het schip spoot achteruit de donkere vaargeul van het Noordzeekanaal op.
Achter ons, door het inferno van vuur en zwarte rook, zag ik de gestalte van Willem van der Meer tevoorschijn komen. Zijn gezicht was zwart van het roet, zijn pak scheurde, maar hij stond overeind. Hij trok zijn dienstwapen en vuurde wild een magazijn leeg op het wegvarende schip.
De kogels ketsen met vonken af op de stalen opbouw van de stuurhut, maar we waren al buiten bereik. Binnen enkele seconden werd de kade van Spaarndam opgeslokt door de mist en de opstijgende rookwolken.
Ik zakte weg tegen het stuurwiel, mijn hart bonkte als een gek. Mijn gezicht was bedekt met zweet en roet.
"Is iedereen ongedeerd?" vroeg ik met hese stem.
Thomas kwam de stuurhut binnen gestapt. Hij had een snijwond op zijn voorhoofd van het vliegende glas, maar hij knikte. "Ik leef nog. Maar Klaas..."
Ik keek om. Klaas lag op de houten vloer van de stuurhut. De explosie en de inspanning hadden zijn wond weer opengereten. Bloed sijpelde door de bandage en kleurde de vloerplanken donkerrood.
"Klaas!" Ik knielde naast hem neer en drukte mijn handen op de wond. "Blijf bij ons! We zijn bijna in IJmuiden!"
Klaas hoestte, en er verscheen een spoor van bloed op zijn lippen. Hij keek me met wazige ogen aan. "Luister naar me, Henk..." raspte hij, terwijl zijn magere vingers zich vastklemden in mijn mouw. "Als we... als we bij de visafslag komen... kluis B-407..."
"Spaar je krachten," zei Thomas, die naast me kwam zitten en de wond probeerde af te binden.
"Nee! Luister!" snauwde Klaas met een laatste opflakkerende kracht. "In die kluis... liggen niet alleen de opnames. Er ligt nog iets anders. Iets dat je vader... Pieter... heeft achtergelaten vóór hij vluchtte."
"Wat dan?" vroeg ik.
"Het echte logboek van de HA-14," fluisterde Klaas. "Het origineel. Daarin staat de volledige lijst van alle corruptieambtenaren in Noord-Holland die door Willem zijn betaald. Politie, douane, rechters... Willem heeft een heel netwerk opgebouwd. Als je alleen de audio-opnames gebruikt, pakt de politie hem op, maar z’n handlangers zorgen dat hij binnen 24 uur weer vrijkomt. Je moet het logboek hebben!"
Hij begon heftig te shocken en zijn ogen rolden weg.
"We moeten hem medische hulp bezorgen!" schreeuwde ik naar Thomas. "Hij haalt het anders niet!"
"Er is geen medische hulp, Henk!" zei Thomas hard. "Als we naar een ziekenhuis gaan, pakt Willems netwerk ons op voordat we de poort binnenstappen! We moeten doorzetten!"
Het schip sneed door de kille, grijze mist van het Noordzeekanaal. De contouren van de zware industrie en de reusachtige takels van de haven van IJmuiden doemden langzaam op uit de nevels. Het was een grimmig, industrieel landschap van staal, beton en doordringende kou.
Klaas raakte buiten bewustzijn. Zijn ademhaling werd steeds zwakker en onregelmatiger.
Thomas nam het roer over en stuurde de HA-14 naar de vervallen, afgelegen steigers van de oude visafslag. De houten palen van de kade waren verrot en de gebouwen erachter stonden er verlaten bij, met ingeslagen ramen en verroeste damwandplaten.
We legden het schip stil onder de schaduw van een verlaten vissersboot. Het was doodstil, afgezien van het gekrijs van de zeemeeuwen en het klotsen van het grijze water tegen de romp.
We droegen Klaas zo voorzichtig mogelijk uit de stuurhut en legden hem op een droge plek onder een afdak op de kade. hij leefde nog, maar hij was te zwak om te lopen.
"Blijf hier, Klaas," fluisterde ik. "We komen terug."
Klaas opende heel even zijn ogen, keek me aan en knikte nauwelijks waarneembaar. "Maak... maak af... wat mijn broer is aangedaan..."
Thomas en ik trokken onze kappen over ons hoofd en bewogen ons door het doolhof van roestige containers en vervallen loodsen richting de ingang van de oude visafslag. In mijn zak voelde ik de koperen sleutel B-407 zwaar wegen.
We bereikten de zware, ijzeren deur die naar de ondergrondse ruimtes leidde. De deur was afgesloten met een dik kettingslot. Thomas haalde een stalen koevoet uit zijn rugzak en zette kracht. Met een luid knarsend geluid brak de ketting door.
We stapten een donkere, vochtige trap af die diep onder de grond leidde. De lucht rook naar muffe aarde, muf beton en roest. Mijn zaklamp sneed door de dichte duisternis.
Onderaan de trap kwamen we in een lange gang van gewapend beton. Aan weerszijden stonden verroeste stalen deuren met vervagende nummers.
We liepen langzaam door de gang, terwijl onze voetstappen echoëden tegen de kille muren.
B-404... B-405... B-406...
En daar stond hij. Een zware, stalen kluisdeur met een koperen sleutelgat en een cijferslot. Boven de deur stond in vervagende witte letters geschilderd: B-407.
Mijn hand trilde toen ik de sleutel tevoorschijn haalde en in het sleutelgat stak.
"Wacht," zei Thomas, en hij pakte mijn arm vast. "Klaas zei dat er een stil alarm op zit dat verbonden is met de stroomvoorziening. Als we de sleutel omdraaien zonder de stroom te onderbreken, gaat de alarmbel bij Willem af."
Hij wees naar een dikke zwarte kabel die boven de deur langs het plafond liep, gaand naar een metalen verdeelkast aan het einde van de gang.
Thomas liep naar de verdeelkast, trok de stalen klep open en bekeek de wirwar van oude draden. "Klaas zei dat hij de bedrading zelf heeft aangelegd. Er moet een hoofdschakelaar zijn..."
Hij greep een rode hendel vast en trok hem met geweld naar beneden. Een scherp vonkenspoor vloog uit de kast, en het zwakke noodlicht in de gang doofde direct. De hele kelder werd gehuld in een pikzwarte duisternis.
"Het is gelukt," zei Thomas vanuit het donker. "De stroom is eraf."
Ik zette mijn zaklamp aan, stak de koperen sleutel in het slot van kluis B-407 en draaide hem om.
Een zwaar, mechanisch 'klik-klak' geluid weerklonk. De zware stalen grendels trokken zich terug. Ik duwde met mijn schouder tegen de dikke kluisdeur, die met een schurend geluid langzaam openging.
Binnenin de kluis scheen mijn zaklamp op een stalen tafel.
Daar lag een zwarte lederen tas, stofvrij en zorgvuldig afgesloten. Naast de tas lag een oud cassettebandje met een handgeschreven etiket: 'Willem - Bewijs 2014'. And vlak daarnaast lag het dikke, in leer gebonden scheepslogboek.
Een golf van ontlading ging door mijn lichaam. We hadden het. Het bewijs om de moordenaars van mijn vader en Klaas’ broer voorgoed achter de tralies te krijgen.
Ik reikte mijn hand uit om de tas te pakken.
Maar op dat exacte moment weerklonk er een hard, metaalachtig geluid achter ons in de gang.
Het luik bovenaan de trap werd dichtgegooid en de zware stalen grendel werd aan de buitenkant doorgeschoven.
We zaten opgesloten in de ondergrondse bunker.
En door de kleine ventilatieroosters boven de kluisdeur begon een dikke, witte, chemisch ruikende rook de ruimte binnen te stromen...






