De zwarte contouren van de oude meelfabriek 'De Eendracht' rezen op als een dreigend kolos aan de rand van de Utrechtse gracht. Het bakstenen gebouw uit het begin van de twintigste eeuw stond er verlaten bij; de hoge ramen waren bijna allemaal ingeslagen of dichtgetimmerd met houten platen. Vroeger, toen ik nog een klein meisje was, rook het hier altijd heerlijk naar vers gemalen graan en warme meelstof. Nu hing er slechts de muffe stank van stilstaand grachtenwater, roest en verrotting.
De politieauto van inspecteur De Jong stopte op een veilige afstand in een donkere steeg tegenover de fabriek. Twee andere onopvallende wagens van het arrestatieteam voegden zich geruisloos bij ons. De regen was veranderd in een motregen die als een fijne nevel in de lucht hing.
"Blijf hier zitten," herhaalde De Jong streng, terwijl hij zijn kogelvrije vest aantrok en de pinnen van zijn dienstwapen controleerde. "Mijn mannen gaan via de hoofdingang en de zijkant naar binnen. We sluiten het terrein volledig af."
"Wacht, inspecteur," zei ik, terwijl ik hem bij zijn mouw pakte. "Als Karel Derksen de voorraadruimtes gebruikt, zit hij in het diepste gedeelte van de fabriek—de oude silokelder. Die bereik je niet via de hoofdingang. Daar staan zware stalen deuren die van binnenuit vergrendeld kunnen worden. Je moet via het oude laaddok aan de waterzijde. Daar zit de toegang tot de ondergrondse gang."
De Jong keek op zijn digitale plattegrond en knikte traag. "Goed. Een team gaat via het water. Maar u en uw dochter blijven in deze wagen met een gewapende agent voor uw veiligheid."
Hij gaf een sein aan zijn mannen. Vier zwaarbewapende agenten in zwarte tactische kleding glipten de schaduwen van de steeg in, richting het laaddok aan de gracht.
Ilse en ik bleven achter op de achterbank van de wagen. De jonge agent op de bestuurdersstoel hield zijn blik strak op de ingang van de steeg gericht. De stilte in de auto was verstikkend.
"Mam," fluisterde Ilse zacht, haar stem nog steeds schor van de rookschade. "Wat dacht je dat Helena bedoelde met die zin op de pagina? 'Het meel verbergt de kist'?"
Ik staarde uit het raam naar de donkere muur van de fabriek. "Mijn vader vertelde vroeger dat er onder de hoofdsilo's grote, betonnen opvangbakken lagen waar het graan werd gestort. Als iemand daarin viel terwijl de meelmolen draaide... was er geen ontkomen aan. Iedereen dacht dat Helena die avond in juli naar de gracht was gelopen en verdronken. Maar wat als tante Rie haar in de fabriek heeft opgewacht?"
Een ijskoude gedachte drong tot me door. Helena was die avond naar het buitenhuis in Doorn gegaan om de bewijzen op te halen, maar tante Rie en haar handlanger Victor Derksen hadden haar daar betrapt. Ze hadden haar neergestoken—dat verklaarde het bloed op de pagina van het receptenboek. Vervolgens hadden ze haar lichaam naar de meelfabriek gebracht om het voorgoed te laten verdwijnen.
Plotseling klonk er een doffe knal vanuit het fabriekspand, gevolgd door het geluid van brekend glas.
De jonge agent op de voorstoel greep meteen naar zijn portofoon. "Team Alpha, dit is Post 1. Wat is er aan de hand?"
Alleen ruis antwoordde.
Toen klonk de stem van inspecteur De Jong over de lijn, vervormd en haastig: "Post 1! We hebben een verdachte gespot op de eerste verdieping! Er is geschoten! Vraag om assistentie aan de oostzijde!"
"Begrepen, ik kom er aan!" roep de jonge agent. Hij keek achterom naar ons. "Mevrouw, sluit de deuren van de auto van binnenuit en doe voor niemand open!"
Voordat ik bezwaar kon maken, sprong hij uit de wagen en rende met getrokken pistool de steeg in, richting de vuurgevechten.
"Mam, we kunnen hier niet blijven zitten," zei Ilse meteen. Ze greep de deurklink vast. "Tante Rie kent deze fabriek net zo goed als jij. Als de politie aan de voorzijde bezig is met Karel Derksen, gebruikt zij de achteruitgang om te vluchten!"
"Ilse, nee! Het is te gevaarlijk!" protesteerde ik.
"Ze heeft geprobeerd mij te vermoorden, mam! En ze heeft Helena gedood!" zei Ilse met vuur in haar ogen. "We laten haar niet nog een keer ontsnappen!"
Mijn dochter openende het portier en stapte de motregen in. Ik wist dat ik haar niet alleen kon laten gaan. Met mijn hart in mijn keel stapte ik ook uit. Samen slopen we langs de vochtige bakstenen muur van de fabriek, richting de achterzijde die grenst aan het water van de gracht.
Het geluid van de sirenes in de verte werd overstemd door het geruis van het water. We bereikten het oude laaddok. De houten steiger was half verrot en overwoekerd met algen. Een roestige, ijzeren deur die toegang gaf tot de kelders stond op een kier.
Ilse pakte een zware houten balk die bij het vuilnis lag om zich te verdedigen. Ik haalde de kleine zaklamp uit mijn jas die ik uit de auto had meegenomen. We glipten geluidloos door de opening van de deur.
Binnen was de lucht koud en zwaar van het stof. De keldergang was pikdonker. Ik scheen met de dunne lichtstraal van de zaklamp over de vloer. Overal lagen oude, lege meelzakken, verroest gereedschap en kapotte houten kisten. En in de dikke stoflaag op de betonvloer zagen we verse voetafdrukken.
Twee paar schoenen: de zware afdrukken van laarzen en de smalle, afgesleten afdrukken van de orthopedische schoenen van tante Rie.
We volgden de afdrukken voorzichtig door het labyrint van ondergrondse gangen. Het geluid van de politieschoten op de bovenste verdiepingen klonk hier beneden gedempt, als een ver onweer.
Na enkele tientallen meters kwamen we uit bij een grote, ronde kelderruimte. In het midden van de ruimte rezen vier gigantische, trechtervormige onderzijden van meelsilo's op uit het plafond. Onder de grootste silo stond een vervallen houten plateau met een hekwerk eromheen.
Daar, in het flauwe licht van een enkele acculamp die op een kist stond, zag ik tante Rie.
Ze was koortsachtig bezig met het vullen van een grote reiszak. Op de houten kist naast haar lagen dikke pakken bankbiljetten—oude en nieuwe guldens en euro's—evenals gouden sieraden en een stapel documenten.
Maar wat mij het meest schokte, was de plek waar ze het geld vandaan haalde.
Aan de voet van de grote meelsilo was een luik in de betonnen muur opengebroken. En uit dat luik stak de rand van een verroeste, stalen legerkist.
"Rie," zei ik met een stem die doordrenkt was van afschuw.
Tante Rie draaide zich met een ruk om. Haar gezicht trok weg in een strakke grimas toen ze ons in het licht van de zaklamp zag staan. In haar hand hield ze een klein, zilveren pistool dat ze uit haar jas had getrokken.
"Jullie hadden moeten doodgaan in Doorn," zei ze ijskoud, terwijl ze het wapen op mijn borst richtte. "Jullie familie is altijd al een blok aan mijn been geweest. Mijn hele leven heb ik moeten zwoegen voor die waardeloze bakkerij van jullie, terwijl jullie vader en moeder de sier gemaakten!"
"Je hebt je eigen nichtje vermoord, Rie!" schreeuwde ik, terwijl de tranen van woede en verdriet over mijn wangen brbrandden. "Helena was pas vierentwintig! Ze was familie!"
Tante Rie lachte—een koud, krankzinnig geluid dat galmde tegen de betonnen muren van de silo. "Helena was een bemoeial! Ze ontdekte de geldstromen van Victor Derksen. Ze wilde naar de politie stappen en mijn hele toekomst ruïneren! Ik had geen keus!"
Ze wees met de loop van het pistool naar de legerkist die uit het siloluik stak. "Ze wilde weten waar het geld bleef. Welnu... ze heeft de afgelopen veertig jaar bovenop het geld gelegen."
Mijn maag krimpte samen. De legkist onder in de meelsilo... het was de rustplaats van mijn zusje.
"En nu," zei tante Rie met een ijzige blik, terwijl ze haar vinger om de trekkersbeugel klemde, "gaat het familiegeheim definitief mee de diepte in."
Ze richtte het pistool op Ilse. Maar voordat ze de trekker kon overhalen, klonk er een oorverdovende schreeuw vanuit de duisternis achter de silo's.






