Arthur bewoog zich geen centimeter, maar zijn ogen schitterden van pure minachting en triomf. Hij nam een rustige slok van zijn champagne, alsof we geen inbrekers in zijn kantoor waren, maar vervelende insecten die hij op elk moment kon platdrukken. "Denken jullie nu echt," begon hij met een kalme, ijzige stem, "dat jullie mij te slim af kunnen zijn in mijn eigen huis? Dit landhuis is gebouwd op muren van beton en geld. Jullie komen hier niet levend vandaan met mijn papieren."
Mijn spieren spanden zich tot het uiterste. Ik stapte voor Elena, mijn vuisten gebald. "Het spel is uit, Arthur," snauwde ik. "We hebben alle bewijzen. De politie is al ingelicht." Arthur lachte hardop, een hol en neerbuigend geluid dat door de studeerkamer galmde. "De politie? Vriendje lief, de hoofdcommissaris staat beneden in de salon van mijn champagne te genieten. Jullie staan alleen, midden in de nacht, in het territorium van de man die al jullie schulden en dromen kan vernietigen met één telefoontje."
In een flits besefte ik dat hij gelijk had; we waren in een val gelopen. Maar voordat Arthur zijn hand kon uitsteken naar de alarmknop op zijn bureau, vloog de kantoor deur open met een daverende klap. Niet Beatrice of een bewaker stond daar, maar Hendrik, die blijkbaar ons spoor had gevolgd. In zijn hand hield hij een zware, antieke kandelaar die hij als een wapen hanteerde, maar zijn blik was gericht op Arthur met een intensieve haat die jarenlang was opgebouwd.
"Jij..." fluisterde Arthur, en voor het eerst verscheen er een schaduw van echte angst op zijn gezicht. "Hendrik? Jij hoorde allang te zijn opgeruimd." Hendrik stapte naar voren, zijn ogen vlamden. "Je hebt me destijds voor dood achtergelaten op die verlaten snelweg, Arthur, omdat ik dreigde je fraude te openbaren. Maar ik heb overleefd. En vandaag neem ik alles terug wat je van ons hebt gestolen."
Terwijl Arthur en Hendrik tegenover elkaar stonden in een gespannen machtsstrijd, greep Elena haar kans. Ze rende naar het bureau, pakte de telefoon en probeerde rechtstreeks het landelijke noodnummer te bellen, maar Arthur had de lijn doorgesneden. Op dat moment hoorden we beneden commotie ontstaan; gasten begonnen te gillen, en zware voetstappen stormden de trap op richting de studeerkamer. De bewaking was gealarmeerd.
"We moeten nu gaan!" riep ik, terwijl ik de zware stapel documenten vaster greep. Hendrik sloeg met de kandelaar in een blinde woede op de antieke lamp van Arthur, waardoor de kamer in duisternis gehuld werd, op het schijnsel van de open haard na. In de chaos greep ik Elena's hand, en we renden door de openstaande balkondeur naar buiten, de ijskoude nachtlucht in, terwijl achter ons geschreeuw en paniek losbarstten...






