De glazen deur van het tankstation zwaaide open en oom Pieter stapte resoluut naar binnen, geflankeerd door de twee imposante mannen in maatpak. Zijn gezicht stond strak van woede, maar er lag ook een triomfantelijke glimlach om zijn lippen die me de bloed in de aderen deed stollen.
“Daar ben je dan, Elara,” zei Pieter op een toon die griezelig kalm klonk, alsof we elkaar toevallig tegenkwamen op een familiediner. “Je hebt je grootmoeders hardnekkigheid, dat moet ik je nageven. Maar dacht je echt dat je zomaar kon weglopen met dingen die je niet aangaan?”
De caissière keek de andere kant op en deed alsof ze haar computer scherm aan het schoonmaken was. Het was pijnlijk duidelijk dat de familie Van Houten haar hand in elke hoek van dit dorp had.
“Blijf uit mijn buurt, Pieter!” riep ik terwijl ik achteruitdeinsde tot ik met mijn rug tegen de koeling van de frisdranken aan stond. Ik greep de rits van mijn rugzak vast waarin het dossier zat. “Ik weet alles! Het cassettebandje, de documenten… de politie is al op de hoogte!”
Pieter lachte schamper. “De politie? Lieve schat, wie denk je dat de meldingen hier filtert? Je hebt geen idee hoe diep onze wortels reiken. Kom nu maar mee, zonder scène te maken. Anders maken we het hier heel vervelend voor je, en voor de aardige mevrouw achter de toonbank.”
De twee mannen in pak kwamen langzaam op me af. Er was geen uitweg. Als ik nu zou vechten, zouden ze me overmeesteren en me misschien ter plekke iets aandoen. Mijn enige kans was om mee te gaan en te wachten op een moment van onoplettendheid om te ontsnappen.
Ik werd naar de zwarte Mercedes geduwd en op de achterbank gezet, met Pieter naast me en de twee mannen voorin. De auto scheurde weg in de stromende regen, weg van het tankstation, terug naar de villa in Oosterbeek.
Tijdens de rit werd er geen woord gewisseld. Mijn handen trilden in my zak, waar ik stiekem de valkvormige sleutel vasthield – het enige wat ze over het hoofd hadden gezien bij het fouilleren.
Toen we bij de villa aankwamen, werd ik ruw naar binnen getrokken en naar de grote salon op de begane grond gebracht. Daar zat tante Carla in een antieke fauteuil, rokend van een sigaret, met een ijskoude blik in haar ogen.
“Dus jij dacht dat je slimmer was dan wij, Elara?” begon Carla met een snerpende stem. “Je oma heeft je vergiftigd met leugens. Die kist, dat dossier… dat zijn hersenspinsels van een oude vrouw die aan het dementeren was.”
“Het is geen dementie, Carla!” riep ik woedend. “Ik heb het cassettebandje gehoord! Ik weet dat jullie mijn vader hebben vermoord!”
Carla’s gezicht betrok. Ze stond langzaam op, liep op me af en gaf me een harde klap in het gezicht die de smaak van bloed in mijn mond achterliet.
“Je houdt je mond!” sissede ze. “Je vader was een verrader. Hij wilde alles waar onze familie al generaties voor heeft gewerkt in één klap vernietigen. En jij staat op het punt om dezelfde fout te maken, tenzij je tekent wat wij van je vragen.”
Ze legde een document op de tafel voor me neer: een akte van afstand van al het bezit van de familie, inclusief de rechten op de landgoederen, waarmee ik formeel zou afstand doen van elke erfenis en elke aanspraak op het verleden.
---






