Mijn adem stokte in mijn keel. Ik hield mijn adem in en drukte mezelf stijf tegen de lambrisering van de gang. Het geschraap was opnieuw te horen, gevolgd door het zachte kraken van een trede. Iemand bewoog zich door het huis. En aan het ritme te horen, was het iemand die hier volkomen de weg wist – iemand die niet op klompen liep of per ongeluk geluid maakte, maar zich doelbewust voortbewoog.
Kon het tante Carla zijn? Of Diederik, die me was achternagekomen? Of was het iemand van het personeel dat misschien stiekem nog voor de familie werkte? Wie het ook was, als ik nu ontdekt werd, zou ik nooit de kans krijgen om de kelder te bereiken. De waarschuwing van oma galmde door mijn gedachten: Vertrouw niemand.
Zonder na te denken draaide ik de klink van de keldertrap open en glipte naar binnen. Ik liet de deur op een kier staan om een beetje licht door te laten en begon op de tast, maar zo stil mogelijk, de oude stenen treden af te dalen. De lucht hier beneden was vochtig en rook naar nat gesteente en roest. Elke stap voelde onveilig, alsof de treden elk moment konden instorten onder mijn gewicht.
Boven me hoorde ik de deur van de gang opengaan. Een zachte stem riep iets dat ik niet kon verstaan, gevolgd door het schijnsel van een zaklamp dat door de spleet van de kelderdeur naar beneden gleed. Het licht speelde over de bovenste treden. Ik hield mijn adem in en drukte me plat tegen de koude muur van de keldergang. Mijn knieën beefden van de spanning.
De persoon boven liep naar de rand van de keldertrap. Ik hoorde voetstappen op de eerste twee treden. Het hart in mijn borstkas sloeg zo wild dat ik bang was dat de indringer het zou kunnen horen. Als ze naar beneden komen, ben ik verloren, dacht ik. Er was geen uitweg hier; de kelder was een doodlopende gang.
Gelukkig bleven de voetstappen staan. Een diepe zucht klonk van boven, alsof de persoon teleurgesteld was of vermoedde dat er niets te halen viel. Na een paar tergend lange seconden hoorde ik de stappen weer omkeren. De deur werd met een zachte klik gesloten.
Pas toen het huis weer in complete stilte was gehuld, durfde ik uit te ademen. Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd en knipte nu voorzichtig mijn eigen zaklamp aan. Het zwakke gele licht onthulde een smalle gang met ruwe stenen muren. Dit was het oudste deel van het huis, dat vermoedelijk dateerde uit de negentiende eeuw of zelfs eerder.
Ik liep verder naar achteren, op zoek naar de valse muur die oma in haar brief had beschreven. Volgens haar instructies moest ik letten op een stenen paneel met een reliëf van een eikenblad. Ik liet het licht van de zaklamp langs de vochtige muren glijden. Spinnenwebben hingen in de hoeken en de grond was bezaaid met stof en gruis.
Na een meter of tien zag ik het. Aan de linkerhand bevond zich een stenen nis waar een reeks decoratieve stenen in de muur waren gemetseld. En daar, midden tussen de ruwe blokken, zat een paneel met een prachtig uitgehouwen eikenblad.
Ik stapte dichterbij en raakte het steenoppervlak aan. Het voelde ijskoud. Ik keek naar de kleine zilveren sleutel in mijn hand. De schacht van de sleutel had de vorm van een valk, maar het profiel van de baard leek precies te passen bij de contouren van het eikenblad.
Met trillende vingers zocht ik naar het sleutelgat. Het was vakkundig verborgen achter een kleine, beweegbare steen die net onder het eikenblad zat. Ik schoof de steen opzij en daar verscheen een klein, antiek sleutelgat, donker en diep.
Ik stak de sleutel erin. Hij paste perfect. Maar toen ik probeerde te draaien, zat hij muurvast. Het mechanisme was in al die jaren kennelijk geroest of geblokkeerd.
---






