De regen bleef onverminderd hard neerstorten terwijl ik door de dichte struiken van het landgoed Oosterbeek rende. Mijn adem ging in snelle, pijnlijke stoten en de koude modder plakte aan mijn schoenen, maar de adrenaline in mijn aderen hield me op de been. Achter me hoorde ik het geroep van oom Pieter, wiens stem door de nacht echode. Ze waren door het luik gekomen of hadden ontdekt dat ik was gevlucht, maar in het donkere bos hadden ze me voorlopig uit het oog verloren.
Na een kwartier rennen bereikte ik de rand van het bos, waar een smalle landweg lag die naar het dorp leidde. Mijn kleren zaten onder de modder en mijn handen waren schraal en bebloed van de takken, maar ik had één ding bereikt dat mijn leven kon redden: het dossier in mijn rugzak was intact gebleven dankzij de plastic mappen waarin oma het had verpakt.
Ik liep naar het dichtstbijzijnde tankstation annex wegrestaurant langs de provinciale weg. De gele neonreclame zoemde in de regenachtige nacht. Het was inmiddels diep in de nacht – rond drie uur ’s ochtends – en het station leek verlaten, op een slapende caissière achter de toonbank na.
Ik duwde de glazen deur open en liep naar binnen. De warme lucht sloeg me tegemoet, wat een vreemd contrast vormde met de klamme kou daarbuiten. De caissière schrok op en keakta me met grote ogen aan. Geen wonder: ik zag eruit als een zwerver die net aan een ramp was ontsnapt.
“Kan… kan ik hier alsjeblieft de politie bellen?” vroeg ik met een schorre, trillende stem. “Het is nood.”
De vrouw knikte aarzelend, greep de hoorn van de vaste telefoon op de toonbank en schoof hem naar me toe. Ik toetste het nummer van de landelijke meldkamer in en kreeg vrijwel direct een centraliste aan de lijn.
“Landelijk politiebelbuis, wat is uw noodgeval?” klonk de kalme stem.
“Mijn naam is Elara van Houten,” begon ik snel en met horten en stoten. “Ik wil aangifte doen van moord. Mijn vader, Julian van Houten, is twintig jaar geleden niet door een auto-ongeluk omgekomen, maar vermoord door mijn oom, Pieter van Houten, en tante Carla. Ik heb het bewijsmateriaal bij me. En ik word achternagezeten door hen. Ze zijn gevaarlijk!”
De centraliste reageerde professioneel. “Rustig aan, mevrouw. Waar bent u nu precies? Blijf binnen op een veilige plek. Er is een patrouillewagen in de buurt die direct naar uw locatie wordt gestuurd.”
Ik gaf de naam van het tankstation door en haalde opgelucht adem. De politie zou komen. Dit nachtmerrieachtige hoofdstuk zou eindelijk ten einde komen. De waarheid zou aan het licht worden gebracht.
Maar die opluchting duurde helaas niet lang.
Nog geen tien minuten later hoorde ik het geluid van naderende sirenes. Maar in plaats van een blauw zwaailicht van een reguliere politieauto, zag ik tot mijn afgrijzen een zwarte Mercedes SUV op de parkeerplaats van het tankstation tot stilstand komen. De deuren vlogen open en oom Pieter stapte uit, vergezeld van twee mannen in donkere pakken die er allesbehalve uitzagen als gewone burgers.
En wat nog erger was: toen ik naar buiten keek, zag ik dat de politieauto die zou komen arriveren, werd tegengehouden door een officiële verkeersomleiding die plotseling door de gemeentereiniging of agenten in het complot was ingesteld. De familie Van Houten had tentakels tot diep in de lokale autoriteiten.
De caissière keek naar buiten, zag de mannen binnenkomen en zei ineens met een vlakke stem: “Je kunt hier beter weggaan, meisje. Dit is geen ruzie voor jou.”
---






