"Je hebt te veel gepraat, Thomas," zei de man met een scherpe, buitenlandse accent dat door de stenen ruimte galmde. "Het syndicaat heeft jou niet meer nodig. De documenten zijn hier, en de erfgename is gevangengenomen. Je rol is uitgespeeld."
Thomas bleef verbijsterd achter, zijn gezicht betrok van pure paniek. "Wat... wat bedoel je? Ik heb alles voor jullie geregeld! Ik heb het hotel geregeld, ik heb Bea buiten de deur gehouden, ik heb de contracten getekend!"
"Je was een nuttige pion, niets meer," antwoordde de man koud, terwijl hij een stap naar voren deed met het mes glinsterend in het licht van de olielamp. "De organisatie duldt geen zwakke schakels. En jij wist te veel over de verdwijning van je vader."
Mijn vader aarzelde geen moment langer. Met een luide kreet sprong hij door het open luik naar beneden, recht op de man met het mes af. Ze rolden over de stenen vloer in een wanhopige worsteling om het wapen. Het mes kletterde over de tegels en verdween in het donkere gat van de ondergrondse kluis.
"Bea! Pak het kind!" schreeuwde mijn vader terwijl hij worstelde met de aanvaller.
Ik dacht niet na. Ik rende naar voren, glipte langs de stomverbaasde tweede handlanger, en greep mijn dochter bij haar armpjes. Ze liet zich gewillig meetrekken, haar gezichtje nog steeds maskerachtig kalm, alsof we door een museum liepen in plaats van midden in een vuurgevecht te belanden.
Thomas stond daar als aan de grond genageld, zijn handen in de lucht, terwijl de tweede man een vuurwapen trok en richtte op mijn vader, die net zijn tegenstander had uitgeschakeld.
"Nee!" schreeuwde ik, en in een reflex pakte ik een zware koperen kandelaar van de tafel en smeet die met al mijn kracht naar het hoofd van de bewapende man.
De kandelaar raakte hem vol op zijn slaap. De man struikelde achteruit, verloor zijn evenwicht en viel achterover in het open vloerluik dat leidde naar de diepte van de kluis. Een doffe plof klonk uit de diepte, gevolgd door een ijzingwekkende stilte.
De storm loeide buiten alsof de duivel zelf de vuurtoren wilde omverblazen. We stonden daar met zijn allen – mijn vader, ik, mijn dochter, en een gebroken Thomas die op zijn knieën was gezakt, snakkend naar adem en bevend van angst.
"Het is voorbij, Thomas," zei mijn vader met een stem die rust uitstraalde, hoewel het zweet over zijn voorhoofd liep. "Het spel is uit."






