Bram remde abrupt af en zette de motor uit. We doken weg achter het dashboard terwijl de regendruppels op het autodak roffelden als een leger kleine drummers. Vóór ons rees de oude vuurtoren op uit de duisternis, een massieve stenen kolos van rode baksteen die al eeuwenlang trotse weerstand bood tegen de stormen vanaf de Noordzee. De zware ijzeren deur aan de voet van de toren stond op een kiertje; een zwakke gele gloed drong naar buiten, vergezeld van het geluid van stemmen die door de wind werden meegevoerd.
"Hij is al binnen," fluisterde mijn vader, terwijl hij voorzichtig de deur van de auto opende. "Bram, jij blijft hier in de auto om de achteruitgang in de gaten te houden. Als iemand probeert te vluchten via de steiger, geef je een seinkloon. Bea, jij komt met mij mee. We gaan naar binnen via de oude noodladder."
Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik knikte zwakjes, greep de zware zaklamp die in het portier lag en glipte uit de auto. De koude regen sloeg me direct in het gezicht, sneed als duizenden naalden door mijn jas heen. De wind trok me bijna van mijn voeten toen we over het kletsnatte grint renden naar de achterzijde van de vuurtoren, waar een roestige ijzeren ladder tegen de stenen gevel was bevestigd.
We klommen naar boven, sport voor sport, met de zilte smaak van de zee op onze lippen. Boven gekomen duwde mijn vader een klein, houten ventilatieluik open dat uitkwam op de stookruimte van de toren. We gleden geruisloos naar binnen, de warmte van een oude oliekachel tegemoet.
Beneden ons, in de centrale hal van de vuurtoren, hoorden we Thomas praten. Zijn stem klonk scherp en geirriteerd, echoënd tegen de ronde stenen muren.
"...het schip vertrekt over tien minuten, en als jullie die handtekening niet meteen plaatsen, blaas ik de hele boel op!" schreeuwde Thomas. Hij stond bij een openstaande vloerluik dat toegang bood tot de ondergrondse kluis. Naast hem stonden twee mannen in dikke zeemansjacks, hun gezichten verborgen onder capuchons.
En daar, geklemd op een houten kist aan de rand van de afgrond, zat mijn kleine dochter. Ze was wakker, maar ze keek niet bang; ze staarde met diezelfde vreemde, lege blik naar de documenten op de grond alsof ze precies wist wat haar rol in dit spel was.
"Blijf hier," fluisterde mijn vader tegen me, terwijl hij zijn hand op mijn arm legde. "Als ik teken geef, grijp je het kind en ren je naar de trap."
Maar voordat mijn vader kon bewegen, gebeurde er iets wat niemand had voorzien. Een van de mannen in het zeemansjack trok plotseling een mes uit zijn schede en richtte dat niet op mijn vader, maar op Thomas zelf.






