De spanning in de krappe ruimte was om te snijden. Oom Gerard liet de revolver niet zakken, maar zijn hand begon licht te trillen toen hij naar Bram keek. De woede in zijn ogen was tastbaar.
"Jij hebt je mond voorbijgepraat, Bram," smaalde Gerard. "Je dacht zeker dat je met je vrouw kon vluchten naar Frankrijk of waar dan ook? Denk je werkelijk dat het syndicaat jou laat gaan met de sleutels van de kluis in IJmuiden? Jij bent net zo diep gezonken als wij allemaal."
Bram keek me aan, en in zijn ogen zag ik geen triomf meer, maar pure angst. "Bea, het spijt me," fluisterde hij, terwijl hij een stap naar voren deed. "Ik moest het wel doen. Ze dreigden... ze dreigden jullie iets aan te doen als ik niet tekende. Het ging om de schulden van mijn vader, de hypotheek van het huis, alles zat vast in hun netwerk."
"Je hebt me verraad, Bram," zei ik, en mijn stem klonk vreemd vlak, alsof alle emotie uit me was weggezogen door de kou van de kamer. "Elke dag dat je naast me lag, loog je. Onze hele geschiedenis, onze vakanties, de geboorte van ons kind... het was allemaal gebaseerd op een leugen."
"Het begon als een leugen, ja!" schreeuwde Bram, terwijl een traan over zijn wang biggelde. "Maar ik ben van je gaan houden, Bea! Geloof me alsjeblieft! Daarom ben ik hierheen gekomen vanavond, om alles recht te zetten!"
"Genoeg theater!" bulderde oom Gerard, terwijl hij de revolver omhoog hief op het hoofd van Bram gericht. "De tijd van praten is voorbij. Thomas is al onderweg naar de haven met de orginele documenten. Als we deze papieren niet binnen twee uur overdragen aan de contactpersoon van de scheepvaartmaatschappij, stort het hele imperium in elkaar, en dan nemen ze ons allemaal mee."
In datzelfde moment van opperste verwarring hoorde ik een geluid buiten het raam. Niet de wind, maar het gekras van nagels op het houtwerk van het dakterras. Plotseling werd het glas van het kleine dakraam met een enorme klap verbrijzeld.玻璃 (glas) spatte in duizenden scherven over de houten vloer.
Door de opening klom een gestalte naar binnen. Een man in een donkere regenjas, met een gezicht dat gedeeltelijk schuilging onder de kap van zijn jas. In zijn hand hield hij geen vuurwapen, maar een zware koevoet.
Het was de zogenaamde kruier van de hotelreceptie, de man met de anktattoo. Maar voordat we konden reageren, greep hij Gerard bij zijn arm en rukte hem de revolver uit handen. Er weerklonk een doffe knal – een schot dat in de kleine ruimte klonk als een kanonschot. Het rook naar buskruit en verbrande kleding.
Gerard struikelde achteruit tegen de stellingen aan, en de dikke ordners vielen in een lawine van papier over hem heen. De revolver gleed over de vloer en kwam tot stilstand vlak bij mijn voeten.
De man met de kap sloeg zijn capuchon achterover. In het schijnsel van de lantaarn zag ik een gezicht met diepe groeven, een litteken over de neusrug, en heldere, bekende ogen die me recht aankeken.
"Vader?" fluisterde ik, terwijl mijn knieën het begaven en ik op de grond neerplakte.
Mijn vader leefde. En hij was hier om een einde te maken aan de nachtmerrie.






