De Hotelkamer in Zandvoort en Andere Geheimen
News Story

De Hotelkamer in Zandvoort en Andere Geheimen

16 weergaven

De lift was buiten werking; het display brandde rood met een storingsteken, dus ik nam de trappen. De betonnen treden echoden onder mijn zachte zolen terwijl ik naar boven klom, ver weg van de luxe en de schijnveiligheid van de lagere etages. De lucht op de vierde verdieping rook anders: muf, muf en doordrongen van de geur van terpentine en vochtig hout. Hier bevonden zich blijkbaar geen gastenkamers, maar oude opslagruimtes en technische installaties van het bijna een eeuw oude hotel.

Het duister werd slechts verbroken door een flikkerende tl-buis aan het plafond, die een ziekelijke, groene waas wierp over de kale muren. Mijn vingers klemden zich om de koude messing sleutel in mijn zak. Kamer 408. Ik liep langs genummerde deuren waarvan het schilderwerk bladderde. De wind gierde om de buitenmuren van het gebouw, en ergens boven mijn hoofd hoorde ik het gekraak van de dakpannen die op het punt stonden los te schieten door de storm die in hevigheid toenam.

Daar stond hij dan. Een zware, eikenhouten deur met een antiek messing cijferslot in plaats van een moderne sleutelkaartgleuf. Mijn maag trok samen. Dit paste niet bij een modern strandhotel; dit was een relict uit een heel ander tijdperk, verborgen achter de moderne façade voor toeristen. Met trillende handen bracht ik de sleutel naar het sleutelgat. Het paste na een korte, stroeve weerstand. Met een zachte klik draaide het mechanisme om.

Ik duwde de deur open. De geur die me tegemoet trad deed me bijna kokhalzen: een mengeling van zware turf, verouderd perkament en de onmiskenbare ijzerachtige geur van bloed.

Het vertrek was groot, maar totaal anders ingericht dan de hotelkamers beneden. Er stonden geen bedden, geen kasten met minibars. In plaats daarvan was de hele ruimte gevuld met houten stellingen, volgestouwd met ordners, oude fotonegatieven en in leer gebonden grootboeken. In het midden van de kamer stond een massieve houten tafel, overdekt met kaarten van de Nederlandse kustlijn, maritieme contracten en handgeschreven testamenten uit de jaren tachtig.

En daar, naast een brandende stormlantaarn die flakkerde op de tocht, lag de rode zegellak en de opengebroken envelop die ik eerder op de gang had gezien.

Mijn broer Thomas was hier geweest. Niet lang geleden ook; de rook van zijn dure sigaar hing nog in de hoek van het vertrek. Ik liep langzaam naar de tafel, mijn vingers streken over de rulle randen van de documenten. Ik sloeg een van de dikke boeken open. Het bleek een register te zijn van het havenbedrijf van IJmuiden en Zandvoort. Op de pagina die openlag, stond de naam van mijn vader met grote, krachtige letters geschreven, direct gekoppeld aan een naam die ik vreesde te lezen: die van Bram, mijn man.

Boven de handtekeningen stond een clausule vermeld over 'de overdracht van de rechten', gedateerd op de dag van mijn vaders vermeende dood. Ze hadden zijn dood in scène gezet. Of erger nog... mijn vader was nooit gestorven aan een natuurlijke dood. Hij was vermoord om de documenten in handen te krijgen van een geheim genootschap dat opereerde onder de dekmantel van de Noordzeehandel.

Plotseling hoorde ik een geluid achter me. Een zachte voetstap op het houten vloerdeel. Voordat ik kon omkeren, viel er een zware schaduw over de tafel.