De Nachtdienst in Ziekenhuis Sint-Anna
News Story

De Nachtdienst in Ziekenhuis Sint-Anna

1 weergaven

Deel 7: De Confrontatie in de Nacht

De onthulling hing als een verstikkende mist in de kleine ziekenhuiskamer. De bekentenis van opa Willem – het laffe moment van zelfbehoud in de koude bossen van De Lindenhof, zestig jaar geleden – had de lucht zwaar gemaakt. Ik keek naar de oude man in het bed, wiens borstkas steeds zwakker op en neer ging. Al die jaren had hij geleefd met de wetenschap dat zijn eigen angst de ondergang van zijn zus was geweest. De coma was geen medisch raamwerk geweest, maar een spirituele gevangenis waarin de schaduw hem vasthield om de cirkel rond te maken.

Tante Rita, die kennelijk toch door het sleutelgat had staan luisteren of zachtjes de deur had geopend, stormde de kamer binnen. Haar gezicht was vertrok van ongeloof en woede. "Ben je gek geworden, opa?" schreeuwde ze, haar stem schril en galmend door de gang. "Je kraamt onzin uit! Die ouwe flauwekul over geesten en schaduwen, daar trapt toch niemand in? Je hebt gewoon een hersenbloeding gehad, punt uit!" Ze liep met harde stappen naar het nachtkastje en sloeg met haar hand het open dagboek van Anna dicht. Het geluid klonk als een schot in de stille nacht.

"Niet doen, Rita!" riep ik uit, terwijl ik het dagboek beschermend naar me toe trok. Maar het was al te laat. Zodra het boek werd gesloten en de band met het verleden werd verstoord door Rita's cynisme, sloeg de sfeer in de kamer direct om. De hartmonitor op de achtergrond stopte met zijn regelmatige piepen. Het veranderde in één lange, aaneengesloten toon – een schelle, ijzige waarschuwing die door merg en been ging. De lichten in de kamer begonnen wild te flikkeren en vielen daarna volledig uit, waardoor we werden gehuld in het bleke, enge schijnsel van de lantaarnpaal buiten.

Zuster Clara verloor haar kalmte niet, maar haar gezicht stond strak van angst. Ze greep Rita bij haar arm en duwde haar naar achteren. "Je hebt het erger gemaakt," fluisterde Clara met een stem dieklonk als ijs. "De schaduw duldt geen ontkenning. Hij is er al." Ik draaide me om naar het raam. Buiten op de donkere parkeerplaats was de flikkerende lantaarnpaal plotseling veranderd in een intens, blindend licht. En in dat licht stond niet langer één schim, maar twee. Twee lange, donkere gestalten in lange jassen, stokstijf bewegingloos, met hun gezichten recht op ons gericht – op kamer 312.

Opa Willem gaf een laatste, diepe snak naar adem. Zijn ogen, die nog steeds helder waren geweest, trokken naar boven. Zijn hand, die even daarvoor nog het dagboek had aangeraakt, viel slap neer op het witte laken. De monitor bleef die ene, eindeloze toon aanhouden. Buiten sloeg de herfstwind met een enorme kracht tegen het glas, alsof de ramen het elk moment konden begeven onder de druk van de storm. Rita staarde met grote, angstvallige ogen naar het bed, haar eerdere arrogantie volledig verdwenen en vervangen door een sidderende paniek toen ze besefte dat haar ontkenning de doodsklok had geluid.

"Arthur..." klonk er een zwakke, breekbare stem in mijn hoofd, alsof opa's woorden niet meer via zijn lippen kwamen, maar direct in mijn gedachten werden gegriefd. "Open het boek... snel... voordat de cirkel sluit." Ik greep het leren dagboek vast met beide handen, scheurde de sluiting open en bladerde in het halfduister naar de allereerste pagina, waar een handgeschreven spreuk stond die ik in de haast in het archief over het hoofd had gezien. Terwijl de schaduwen buiten tegen het glas begonnen te tikken, begon ik de woorden hardop voor te lezen, in de hoop dat het genoeg zou zijn om de vloek van De Lindenhof voor eens en voor altijd te breken.

* * *