De Nachtdienst in Ziekenhuis Sint-Anna
News Story

De Nachtdienst in Ziekenhuis Sint-Anna

1 weergaven

Deel 6: Het Dagboek van Anna

De hartmonitor in kamer 312 sloeg op hol. De monotone pieptoon was veranderd in een snelle, haast hectische reeks van tonen die door de stille ziekenhuiskamer galmden. Zuster Clara stond doodstil naast het bed, haar handen rustig gevouwen over haar schort, maar in haar ogen lag een diepe spanning. Opa Willem lag met gesloten ogen op het kussen, zijn borstkas bewoog zich op en neer in een geforceerd, hijgend ritme. Het leek alsof zijn lichaam opnieuw vocht tegen een onzichtbare macht die hem wilde terugtrekken naar die diepe, eindeloze duisternis waar hij net aan was ontsnapt.

"Hij voelt dat je het hebt," zei zuster Clara met een kalme, bijna bezwerende stem toen ze zag dat ik het oude, leren dagboek van Anna onder mijn jas vandaan haalde. "Het boek hoort hier niet, Arthur. Maar jij moest het vinden om de cirkel te doorbreken." Zonder te aarzelen liep ik naar de stoel bij het raam, waar het maanlicht door het glas viel op de donkere parkeerplaats. Ik legde het dagboek voorzichtig op het kleine nachtkastje, vlak naast de hand van opa. Zodra het leer het hout raakte, leek de intensiteit van de pieptoon op de monitor iets af te nemen, alsof de aanwezigheid van het relikwie een kalmerende werking had op zijn rusteloze geest.

Met trillende vingers sloeg ik de kaft van het dagboek open. De pagina's waren dik en vergeeld, en de inkt was op sommige plekken vervaagd tot een spookachtig grijs. Ik begon te lezen bij de laatste invoer, gedateerd op de avond van haar verdwijning in november 1964. Het handschrift was haastig, bijna koortsachtig neergepend: "Willem begrijpt het niet. Hij denkt dat we veilig zijn op het landgoed, maar de schaduw achter de lantaarn wacht al dagen. Het zoemt in mijn hoofd. Het wil dat ik meega naar de rand van het bos. Als mij iets overkomt, laat het dan niet vergeten worden dat ik hier niet vrijwillig sta." Mijn adem stokte. Anna was niet weggelopen uit opstandigheid; ze was meegeslokt door dezelfde entiteit die nu al negen dagen lang aan het bed van opa stond te wachten.

Plotseling bewoog opa Willem. Zijn hand, die levenloos op het laken had gelegen, gleed langzaam naar voren en raakte de hoek van het opgeslagen dagboek aan. Zijn ogen gingen open – niet met de doffe blik van een zieke man, maar met een scherpe, intense helderheid die dwars door me heen keek. Hij keek naar het boek, daarna naar het raam waar de lantaarnpaal buiten trilde in de nacht, en slaakte een diepe, rochelende zucht. Het leek alsof de herinneringen van zestig jaar geleden in één keer op zijn schouders drukten. Met een moeizame beweging van zijn lippen fluisterde hij één enkel woord: "Vergeef..."

"Wat moet hij vergeven, opa?" vroeg ik wanhopig, terwijl ik dichterbij kroop en mijn hand op de zijne legde. "Wat is er die avond op De Lindenhof gebeurd tussen jou en Anna?" Opa kon niet antwoorden; zijn ogen zochten smekend naar zuster Clara, die traag knikte. Ze liep naar de deur en sloot deze zorgvuldig, alsof ze wilde voorkomen dat iemand van buitenaf – zoals tante Rita – mee zou luisteren naar wat er nu onthuld ging worden. De stilte in de kamer werd drukkend, alsof de muren zelf op ons afkwamen om het lang bewaarde geheim te horen.

Opa begon met een trillende, nauwelijks verstaanbare stem te praten. Zijn woorden waren afgebroken en vol spijt. Hij vertelde hoe hij en Anna die avond een spel hadden gespeeld bij de oude lantaarnpaal van het landgoed, een wederspraak met een duistere kracht die ze uitdaagden. Maar de kracht bleek echt te zijn. Toen de entiteit verscheen om een offer te eisen, had de jonge Willem in paniek een verkeerde keuze gemaakt; hij had Anna naar voren geduwd om zelf te ontkomen aan de klauwen van de schaduw.

Zestig jaar lang had dat schuldgevoel hem van binnenuit verteerd, en die negen dagen in coma waren geen medische storing geweest, maar een eeuwige afrekening in een tussenneerland waarin de schaduw hem kwam halen om de rekening alsnog te vereffenen. En nu stond die schaduw niet meer in het bos; hij stond beneden op de parkeerplaats, te wachten tot de laatste polsslag zou wegvallen.

* * *