Deel 4: De Reis naar De Lindenhof
De rit naar de ruïne van De Lindenhof voelde als een afdaling in een andere realiteit. Naarmate ik dieper de beboste heuvels buiten de stad inrolde, verdween de bewoonde wereld achter een muur van dichte, grijze mist. De herfstwind rukte aan de portieren van mijn auto, en de ruitenwissers hadden moeite om het neerstromende water bij te benen. Mijn navigatiesysteem gaf al kilometers lang aan dat ik geen bereik meer had, alsof het signaal werd opgeslokt door de dichte bebossing en de rotte bladeren die de wegen bedekten.
Uiteindelijk bereikte ik het einde van de verharde weg. Daar stond een roestig, half omvergeworpen hek met een verbleekt bord waarop met moeite de naam 'De Lindenhof' te lezen was. Achter het hek kronkelde een overwoekerde oprijlaan, flankerend door massieve eikenbomen waarvan de takken als skeletten over de weg hingen. Ik zette de motor uit en liet de stilte over me heen dalen. Het enige wat ik hoorde, was het zachte getik van de regen op het autodak en het huilen van de wind die door de boomtoppen sneed. Met een diepe zucht drukte ik de deur open en stapte de koude, vochtige buitenlucht in.
De ruïne zelf lag verscholen achter een gordijn van klimop en doornstruiken. Wat ooit een indrukwekkend landhuis was geweest, bestond nu nog slechts uit zwarte, verkoolde muren en ingestorte balken die als gebroken botten uit de modder staken. Toch hing er een vreemde, tastbare spanning in de lucht. Het voelde alsof ik werd gadegeslagen, niet door levende ogen, maar door een onzichtbare menigte die vanuit de schaduwen van de bomen toekeek. Mijn laarzen kraakten op het natte grind terwijl ik voorzichtig naar de centrale binnenplaats liep, waar ooit de grote hal had gestaan.
Daar, midden op het open terrein, stond iets wat daar absoluut niet hoorde te staan: een moderne, roestvrijstalen straatlantaarn die fel wit licht uitstraalde te midden van de duisternis. Het licht zoemde exact op dezelfde toonhoogte als de lantaarnpaal buiten het ziekenhuisraam in kamer 312. Hoe kon hier in vredesnaam stroom zijn? Er waren al zestig jaar geen kabels meer naar deze plek getrokken. Mijn hart bonkte in mijn keel en mijn handen begonnen te trillen. Ik deed een stap naar voren, mijn ogen strak gericht op de lichtcirkel op de grond.
In het midden van die lichtcirkel lag iets zwarts op de grond. Ik liep langzaam naderbij, mijn adem vormende kleinewolkjes in de ijskoude lucht. Toen ik op korte afstand stond, zag ik dat het een oud, leren dagboek was. De kaft was beschadigd door vocht en modder, maar op de voorkant stond met sierlijke letters de naam gegraveerd die ik die ochtend al in het archief had gezien: Anna. Zonder na te denken over het gevaar, bukte ik me en pakte het dagboek op. Het voelde ijskoud aan, alsof het al die jaren diep onder het ijs had gelegen.
Op datzelfde moment hoorde ik een geluid achter me. Het gekraak van takken, alsof iemand met zware stappen door het natte hout liep. Ik draaide me abrupt om, maar zag alleen de dichte mist en de silhouetten van de bomen. "Wie is daar?" riep ik, maar mijn stem klonk hol en verloren in de uitgestrekte bossen. Plotseling begon de lantaarnpaal heftig te flikkeren.
Het zoemende geluid zwol aan tot een pijnlijke frequentie die door mijn oorschelpen sneed. Uit de duisternis achter de bomen verscheen een gestalte – lang, gekleed in een ouderwetse, donkere jas, met een gezicht dat volledig werd verduisterd door de rand van een vilten hoed. Het stond daar stokstijf, precies aan de rand van het licht, en keerde zijn blik recht op mij.
* * *






