Deel 10: De Erfenis van de Sekte
De onthulling in de brief sloeg in als een bom. De mysterieuze schaduw bij de lantaarnpaal was geen bovennatuurlijk monster dat toevallig in het bos rondhing; het was de verpersoonlijking van de schuld en de wraakzuchtige entiteit die door de familie elders was opgeroepen en gebonden aan het terrein van De Lindenhof. Mijn overgrootouders hadden in de jaren vijftig en zestig gokschulden en verzonken rijkdommen afgekocht door duistere pacten te sluiten. Anna was het offerlam geworden om de welvaart van de familie veilig te stellen, en opa Willem was de stille getuige geweest die jarenlang had gezwegen om zijn eigen hachje te redden.
Ik keek rond in de stoffige kamer. Het voelde ineens alsof de muren vol ogen zaten, alsof de geesten van het verleden meekeken over mijn schouder. Ik pakte het koperen doosje en merkte dat het exact dezelfde afmetingen had als de uitsparing in het bureau. Met een lichte duw probeerde ik het te openen, maar het zat muurvast. Er was geen sleutelgat te bekennen, alleen een reeks vreemde symbolen die gegraveerd waren in het koper – dezelfde symbolen die ik in het archief en op het dagboek van Anna had gezien.
Plotseling hoorde ik een geluid beneden. Het was het kraken van de voordeur die langzaam werd geopend, gevolgd door zware, onmiskenbare stappen op de houten trap. Iemand kwam naar boven. Mijn hart sloeg over in mijn keel. Was het tante Rita die me had gevolgd? Of was het iemand anders – iemand die net zo goed wist van het bestaan van dit geheime pand? Ik doofde onmiddellijk mijn zaklamp en drukte me plat tegen de muur naast de kledingkast, terwijl de voetstappen dichterbij kwamen en op de overloop tot stilstand kwamen.
De voetstappen stopten recht voor de deur van de kamer. Een schaduw verscheen onder de deurpost toen de gangverlichting werd ontstoken – of was het het flakkerende licht van een lantaarn? De deurkruk begon langzaam naar beneden te zakken met een zacht, metaalachtig geklik. Mijn handen trilden terwijl ik het koperen doosje stevig vastkneep als een wapen. De deur zwaaide open en in de deupling verscheen een gestalte in een lange jas, met het gezicht half verborgen in de duisternis van de gang.
Tot mijn grote verbazing was het geen vijand, maar zuster Clara. Ze hield een kleine olielamp vast die een warm, wiebelend licht over haar gezicht wierp. Ze keek me aan met een blik van diepe ernst en teleurstelling. "Ik had je gezegd dat je moest wegblijven, Arthur," zei ze met een kalme stem die door de lege kamer galmde. "Sommige erfenissen kun je niet dragen als je de last van het verleden niet begrijpt." Ik haalde opgelucht adem, maar mijn verwarring nam alleen maar toe. "Wat doe jij hier, Clara? Hoe wisten waar ik was?"
Clara stapte de kamer binnen en liep recht naar het bureau waar het koperen doosje lag. "Omdat ik al zestig jaar verbonden ben aan dit verhaal," zei ze rustig, terwijl ze haar jas losknoopte. Bij die woorden viel mijn mond open van verbazing. Zuster Clara zag eruit als een vrouw van middelbare leeftijd, maar haar woorden suggereerden iets heel anders. Ze legde haar hand op het doosje en glimlachte flauw. "Mijn moeder was de beste vriendin van Anna, Arthur. En ik ben geboren op de avond dat Anna verdween. Ik ben hier om ervoor te zorgen dat de cyclus eindelijk wordt verbroken, voordat de schaduw ook jou te pakken krijgt."
* * *






