DE STEM AAN DE ANDERE KANT VAN DE AFGROND
News Story

DE STEM AAN DE ANDERE KANT VAN DE AFGROND

0 weergaven

deel3: DE VAL VAN DE NACHT

Thomas’ toon was kalm, bijna vleiend, maar doordrenkt met een subtiele en scherpe bedreiging, als een mes verborgen in zijde. Ik bleef onbewegelijk, ineengedoken in de dichte schaduw achter de kledingkast, met mijn handen strak om de telefoon en de kleine zilveren sleutel in mijn zak. Thomas' zware stappen schoven over de stoffige zoldervloer en deden minuscule stofdeeltjes opwaaien die zwak dansten in het zwakke licht van de gang. «Ik weet dat je iets hebt gevonden, meid» vervolgde hij, langzaam lopend tussen de oude dozen, alsof hij een spelletje verstoptertje speelde met zijn prooi. «Je vader was een briljant man, maar koppig.

Hij probeerde een strijd te vechten die hij niet kon winnen. En jij maakt precies dezelfde fout.» Ik voelde mijn hart zo hard kloppen dat ik bang was dat het door de muren van de kamer zou echoën. Zijn donkere silhouet stak af tegen het zwakke licht van de op een kier staande deur. Hij stopte op een paar stappen van mijn schuilplaats. De stilte die volgde was oordovend, alleen verstoord door het getik van de regen buiten het raam en mijn met moeite ingehouden adem.

Als hij me daar had gevonden, was er geen ontkomen aan. Mijn vader had me gezegd niemand te vertrouwen, en nu begreep ik hoe wanhopig waar dat advies was. Plotseling gaf de telefoon in mijn zak een zwakke trilling. Een stille melding, maar voldoende om de spanning in de kamer te breken. Thomas' stappen gingen onmiddellijk in mijn richting. Het licht van een krachtige zaklamp sneed door de duisternis en verlichte de lege ruimte naast de kast.

Ik kon me niet langer verbergen. Met een katachtige sprong stond ik op enrende naar het kleine raampje achterin de zolder, de enige mogelijke vluchtroute op dat moment van wanhoop. Thomas schreeuwde mijn naam in woede enzette de achternavolging in terwijl ik met al mijn kracht het rotte houten raam opduwde en het op ワイド zette in de donkere, stormachtige nacht van Apeldoorn.

De eiskoude wind sloeg in mijn gezicht en bracht ijskoude regendruppels mee. Onder mij bevond zich het schuine dak van de veranda beneden, nat en glad. Er was geen tijd om te aarzelen. Ik klom op de vensterbank en voelde hoe Thomas' handen de zoom van mijn jas grepen net toen ik me liet vallen in het loze niets naar de regen en de duisternis.