DEEL 9: De vlammen van het verleden
De geur van verbrand rubber en benzine drong mijn neus binnen. Achter het pakhuis laaide de brand op de motorboot steeds heftiger op. Het oranje licht van de vlammen wierp lange, dansende schaduwen over de betonnen muur waartegen ik gedrukt stond. Mijn vader stond vijf meter van me vandaan. In zijn ene hand hield hij zijn wandelstok, in zijn andere het zwarte kastje met de rode knop.
‘Je bluft,’ zei ik, terwijl ik probeerde mijn stem zo vast mogelijk te houden. Mijn longen brandden van de rook en de spanning. ‘Je gaat dit pakhuis niet opblazen. Dan ben je je geld kwijt. Dan is alles waar je twintig jaar op hebt gewacht voor niets geweest.’
Mijn vader lachte. Het was een droog, raspend geluid dat door de laaiende vlammen heen sneed.
‘Denk je dat het geld in dit pakhuis ligt, Sophie?’ zei hij, terwijl hij langzaam een stap dichterbij deed. ‘Het geld staat op een digitale kluis in Zwitserland. De enige toegangscode bevindt zich op die USB-stick die jij in je zak hebt. Dit pakhuis is slechts een oud stuk schroot. Een rekwisiet in het toneelstuk dat ik vanavond heb opgevoerd.’
Hij wees met zijn wandelstok naar het kastje. ‘In het pakhuis liggen drie gasflessen op de centrale leiding aangesloten. Eén druk op de knop, en het hele gebouw verandert in een inferno. De politie buiten zal denken dat het een ongeluk was, veroorzaakt door het vuurgevecht. En jij en Ethan... jullie worden de tragische slachtoffers.’
‘En mamma dan?’ schreeuwde ik. ‘Wat gebeurt er met mamma?!’
‘Je moeder heeft haar keuzes gemaak twintig jaar geleden,’ zei hij onbewogen. ‘Ze koos voor een rustig, armmoedig leven in plaats van aan mijn zijde te blijven strijden. Ze is een zwakheid, Sophie. Net zoals jij een zwakheid dreigt te worden als je niet nu meteen voor mij kiest.’
Hij reikte weer naar voren met zijn hand. ‘Geef me die stick. En we lopen samen naar het hek aan de noordzijde. Mijn wagen staat klaar. Binnen vier uur zijn we de grens over.’
Ik keek naar de man die mij als kind op zijn schouders droeg. Ik herinnerde me hoe hij me voorlas voor het slapengaan, hoe hij me leerde fietsen. Die man bestond niet meer. Of misschien had hij wel nooit bestaan. Misschien was hij altijd al deze kille, meedogenloze strategist geweest, en had ik als kind alleen maar een masker gezien.
‘Nee,’ zei ik zacht.
Mijn vader fronsde. ‘Wat zei je?’
‘Ik zei: NEE!’ schreeuwde ik.
Ik greep de USB-stick uit mijn binnenzak. Ik hield hem hoog in de lucht, recht boven de brandende houten steiger waar de vlammen van de boot inmiddels waren overgesprongen.
‘Als je nog één stap dichtbij komt, gooi ik hem in het vuur!’ riep ik. ‘Dan is het bestand verbrand! Dan kan niemand er meer bij. Dan zijn jouw twintig jaar van wraak en plannen maken in één seconde waardeloos!’
Mijn vader verstijfde. Zijn hand met het zwarte kastje trilde licht. Voor het eerst zag ik een twijfel in zijn ogen. De berekende controle die hij altijd uitstraling, vertoonde een scheur.
‘Dat doe je niet,’ zei hij, al klonk zijn stem minder zeker. ‘Als je die stick vernietigt, heb je geen enkel bewijs meer tegen de mensen van het syndicaat. Dan ben je vogelvrij. Ze zullen jou en je moeder opjagen tot aan het einde van jullie dagen!’
‘Beter vogelvrij dan jouw slaaf!’ antwoordde ik.
Ik deed alsof ik mijn arm naar achteren zwaaide om de stick in de laaiende zee van vlammen te werpen.
Mijn vader slaakte een kreet van woede en deed een wilde stap naar voren. Hij hief zijn wandelstok op om me te slaan. Maar doordat hij mank liep en zijn volle gewicht op zijn slechte been zette, struikelde hij over de loshangende stalen ketting die Ethan eerder had laten vallen.
Hij viel met een harde klap voorover op de steiger. Het zwarte kastje gleed uit zijn hand en rolde over de krakende houten planken, precies naar de rand van het water.
Ik bedacht me geen seconde. Ik duuk naar voren, grabbelde naar het kastje en griste het mee voordat mijn vader kon herstellen.
‘Sophie! Nee!’ schreeuwde mijn vader vanaf de grond. hij probeerde zich overeind te duwen, maar zijn gezicht vertrok van de pijn.
Ik keek naar het zwarte kastje in mijn hand. Er zat een kleine schakelaar op de zijkant: Aan/Uit.
Ik zette de schakelaar op Uit en gooide het kastje met een boog ver het zwarte water van de rivier in. Het verdween met een zachte plons in de diepte.
‘Het is voorbij, papa,’ zei ik, terwijl de tranen over mijn gezicht mengden met het roet. ‘Er gaat niets meer in de lucht.’
Op dat moment klonk er een luid gekraak van de voorkant van het pakhuis. De zware houten schuifdeuren werden met geweld geramd. Het geluid van brekend hout en roepende stemmen vulde de lucht.
‘Politie! Handen omhoog! Iedereen blijven staan!’
Het was niet de corrupte rechercheur Jansen. Het waren de sirenes en de zware stemmen van een echt arrestatieteam, gewaarschuwd door de brand en het schieten.
Mijn vader staarde naar mij met een blik vol haat en ongeloof. ‘Je hebt alles verpest,’ fluisterde hij. ‘Je hebt onze familie verwoest.’
‘Nee,’ zei ik, terwijl ik een stap achteruit deed in de richting van het zijhek. ‘Jij hebt onze familie twintig jaar geleden al verwoest.’
Ik draaide me om en rende weg. Niet naar de politie, niet naar mijn vader, maar naar het kleine houten hek aan de zijkant van het terrein. Ik moest naar het politiebureau. Ik moest weten of mijn moeder veilig was.
Maar net toen ik het hek openduwde en de donkere straat op wilde rennen, hoorde ik een schot achter me.
Een kogel ketste met een schil geluid af op de stalen spijlen van het hek, vlak naast mijn hoofd.
Ik keek geschrokken omhoog.
Op de rand van het dak van het pakhuis stond een figuur gehuld in een zwarte regenjas. De man hield een snipergeweer met een laserVizier op mij gericht. En de rode stip van de laser rustte precies op mijn borst.
Een stem via een portofoon aan het hek kraakte: ‘Sleutel veiliggesteld. Schakel de getuige uit.’






