DEEL 4: De schaduw van het pakhuis
Het bericht op mijn telefoon stroomde ijskoud door mijn aderen. Het was een onbekend nummer, maar de Boodschap liet geen twijfel bestaan over wie de afzender was. Ethan wilde de regie behouden. Hij wilde dat ik alleen kwam, zonder mijn moeder, zonder de politie.
‘Wie stuurde dat?’ vroeg mijn moeder verontrust, terwijl de taxi over de natte kasseien van de stad gleed. Haar blik was strak op mij gericht, vol zorgen.
‘Niemand, mamma,’ loog ik snel. Ik wilde haar niet nog meer in paniek brengen. Ze was toch al broos en de spanning van de afgelopen uren eiste zijn tol. ‘Een verkeerd gekozen nummer.’
Ik keek op het display van mijn telefoon. Het uur tikte onverbiddelijk weg. Vijfenvijftig minuten. Ik moest een beslissing nemen. Als ik naar de politie stapte met de USB-stick, zouden ze een onderzoek instellen. Maar hoe lang zou dat duren? Ethan had geld, invloed en advocaten die hem maandenlang konden beschermen. Bovendien wist ik niet wat de politie zou doen als Ethan inderdaad dat vuurwapen in de woning van mijn moeder had verstopt. Hij kon de rollen zo omdraaien dat zij als verdachte werd gezien.
‘Chauffeur,’ zei ik, terwijl ik voorover boog naar de bestuurder. ‘Verander van bestemming. Breng mijn moeder naar het hoofdbureau van politie in het centrum. En daarna moet u mij doorrijden naar de oude havenbuurt.’
‘Sophie, nee!’ riep mijn moeder uit. Ze greep mijn pols met verrassend veel kracht vast. ‘Je mag niet alleen naar hem toe gaan! Je weet niet waar hij toe in staat is. Hij is niet meer de man met wie je getrouwd bent, hij is een monster!’
‘Mamma, luister naar me,’ zei ik, terwijl ik haar handen vastpakte en haar strak aankeek. ‘Acht jaar lang heeft hij ons meegesleept in zijn leugens. Hij denkt dat hij alles onder controle heeft. Hij denkt dat ik het zwakke meisje ben dat doet wat hem gevraagd wordt. Maar dat stopt vanavond. Jij gaat naar de politie. Jij geeft ze de papieren uit de doos en vertelt ze over het wapen dat hij in je huis heeft gelegd. Zorg dat er een proces-verbaal wordt opgemaakt.’
‘En jij dan?’ snikte ze.
‘Ik ga halen wat van ons is. Ik ga de waarheid achterhalen over papa.’
De taxi stopte voor het imposante, verlichte gebouw van het hoofdbureau van politie. Ik hielp mijn moeder uit de auto en droeg haar over aan twee agenten die bij de ingang stonden. Ik zag hoe ze veilig naar binnen werd geleid. Pas toen er een gevoel van ontlasting door me heen ging, stapte ik weer in de taxi.
‘Naar de Industrieweg, pakhuis nummer 14,’ zei ik tegen de chauffeur.
De rit naar het oude havengebied voelde als een reis naar een andere wereld. De drukke, verlichte winkelstraten maakten plaats voor verlaten fabrieksterreinen, verroeste hijskranen en donkere, overgroeide wegen. Het pakhuis van Ethan stond aan het einde van de pier, half verscholen achter opgestapelde zeecontainers. Het was dezelfde plek waar hij me drie jaar geleden trots rondleidde, pratend over zijn visie op moderne architectuur. Toen dacht ik dat het een symbool van zijn succes was. Nu wist ik dat het een monument van zijn misdaden was.
De taxi zette me af op honderd meter afstand. De chauffeur keek bezorgd achterom. ‘Moet ik op u wachten, mevrouw? Het is hier niet echt veilig 's nachts.’
‘Nee, dank u. Rijdt u maar terug,’ antwoordde ik. Ik wilde geen getuigen, en ik wilde de chauffeur niet in gevaar brengen.
Ik stapte uit. De ijskoude wind van de rivier blies in mijn gezicht. In mijn hand klemde ik het zwarte USB-staafje vast. In mijn tas zat een klein zakmes dat ik uit de keuken van mijn moeder had meegenomen—niet dat het veel zou uitrichten tegen Ethan, maar het gaf me een schijn van bescherming.
Het pakhuis was grotendeels donker, maar door de hoge, matglazen ramen op de eerste verdieping scheen een mat, geel licht. De zware houten schuifdeur van de hoofdingang stond op een kier. Een duidelijke uitnodiging.
Ik haalde diep adem, drukte mijn schouders naar achteren en stapte naar binnen.
De geur van vochtig beton, oude houtwol en goedkope verf kwam me tegemoet. Het pakhuis was reusachtig. Hoge stalen balken overspanden de ruimte, en de echo van mijn eigen voetstappen klonk onheilspellend luid.
‘Ethan?’ riep ik. Mijn stem trilde licht, maar ik dwong mezelf krachtig te klinken. ‘Ik ben er.’
Er viel een stilte. Daarna klonk het geluid van traag klappende handen vanaf de balustrade op de eerste verdieping.
‘Punctueel zoals altijd, Sophie,’ klonk Ethan’s stem. Hij stapte naar de rand van de balustrade en keek op mij neer. Hij droeg geen jas meer; zijn overhemdsmouwen waren opgerold en zijn haren zaten licht in de war. Hij zag er niet uit als de zelfverzekerde zakenman die ik kende, maar als een man die op het punt stond te verdrinken.
‘Waar is het originele bestand van mijn vader?’ vroeg ik direct, terwijl ik onder aan de stalen trap bleef staan.
Ethan lachte schamper en wandelde langzaam de trap af. Elk van zijn stappen galmde door de lege ruimte. ‘Denk je echt dat dit om een simpel bestandje gaat, Sophie? Denk je echt dat jouw vader zo dom was om alleen maar wat cijfers op een schijfje te zetten?’
Hij stopte op drie treken van de vloer en keek me aan. Zijn ogen stonden wild. ‘Je vader was een idioot. Hij dacht dat hij de wereld kon verbeteren met zijn eerlijkheid. Hij begreep niet dat geld en macht niet worden weggegeven, maar worden genomen. Ik heb hard gewerkt voor alles wat ik heb!’
‘Door het van mijn vader te stelen!’ schreeuwde ik. ‘Door hem te laten verdwijnen! Waar is hij, Ethan? Wat heb je met hem gedaan?’
Ethan bleef even stil. Een vreemde, duistere glimlach verscheen op zijn gezicht. Hij reikte in zijn binnenzak en haalde een oude, metalen sleutel tevoorschijn.
‘Je wilt weten waar je vader is?’ zei hij zacht. hij wees naar de achterkant van het pakhuis, naar een zware, ijzeren deur die half verborgen lag achter een stapel houten pallets. ‘Hij is nooit weggegaan uit dit pakhuis, Sophie. Hij is hier al twintig jaar.’
Mijn hart leek stil te staan. De lucht in mijn longen bevroor. ‘Wat... wat zeg je daar?’
‘Hij ligt onder het beton van de kelder,’ zei Ethan ijskoud. ‘En als je de USB-stick niet nu aan mij geeft, ga jij hem heel snel gezelschap houden.’
Hij deed een snelle stap naar voren en greep mijn pols vast. Maar op het moment dat hij de stick uit mijn hand wilde trekken, hoorden we een hard geluid van buiten. Het geluid van zware metalen deuren die dichtsloegen, gevolgd door het klinken van een ketting die aan de buitenkant van de schuifdeur werd vastgezet.
De lichten in het pakhuis vielen ineens allemaal uit. We werden gehuld in een pikdonkere duisternis.
‘Wat is dit?’ snauwde Ethan, terwijl hij mijn pols losliet en verward om zich heen keek.
Uit de duisternis aan de andere kant van de hal klonk ineens een stem. Een stem die niet van de politie was, en zeker niet van mijn moeder. Het was een zware, mechanisch vervormde stem die via de luidsprekers van het pakhuis schalde.
‘Welkom, Julian. Welkom, Sophie. De show gaat eindelijk beginnen.’






