De reden die Julian voor mij verborgen hield
News Story

De reden die Julian voor mij verborgen hield

0 weergaven

DEEL 8 — De man in de schaduw

De harde sirene van het brandalarm loeide door de gangen van het ziekenhuis. Rode noodlichten begonnen ritmisch te flikkeren, waardoor de kamer van Dr. Visser in een grimmige, bloedrode gloed werd gehuld. ‘Blijf staan!’ schreeuwde inspecteur De Jong, terwijl hij zijn dienstwapen trok. Maar Dr. Visser was wanhopig. Met een krachtige duw sleepte hij zijn zware eikenhouten bureau opzij, waardoor de inspecteur uit balans raakte en tegen de muur viel.

Visser graaide koortsachtig in zijn la en trok er een klein, zwart kastje uit — een elektronische sleutelkaart. Hij haalde de kaart door een lezer naast een verborgen deur achter zijn boekenrek. De deur sprong open en leidde naar een smalle onderhoudstrap. ‘Hij mag niet ontsnappen!’ riep ik. Zonder na te denken rende ik achter de arts aan, de duisternis van het trappenhuis in.

‘Helena! Blijf terug!’ riep De Jong achter me, maar mijn voeten bewogen sneller dan mijn verstand. De adrenaline stroomde door mijn aderen. De man die mijn zoon had vergiftigd rende een paar meter voor me, en ik was niet van plan hem uit het oog te verliezen. We daalden met grote stappen de betonnen treden af, dieper en dieper naar de kelders van het ziekenhuis.

Het geluid van onze voetstappen galmde hol tegen de vochtige muren. Onderaan de trap trapte Visser een zware branddeur open en stormde de ondergrondse parkeergarage op. Het was er halfduister. Slechts een paar tl-buizen verlichtten de rijen geparkeerde auto’s. Visser rende naar een zwarte sedan die achter in de garage stond geparkeerd. Maar hij was niet alleen.

Bij de auto stond een man te wachten. Een rijzige figuur in een donkere mantel, zijn gezicht half verborgen onder een pet. ‘Visser! Wat doe je hier?!’ grauwde de man met een rauwe, diepe stem. ‘Wat is dat alarm?!’ ‘Ze weten het!’ schreeuwde Visser buiten adem, terwijl hij de man bij zijn jas greep. ‘Het bloed van Julian van der Meer… hij heeft een monster naar Duitsland gestuurd!

De politie is boven!’ De man in de mantel vloekte binnensmands. ‘Idioot! Ik zei toch dat je de sporen moest wissen!’ Ik bleef achter een grote betonnen pilaar staan, mijn ademhalingsfrequentie koortsachtig laag houdend. Mijn hart klopte zo hard dat ik bang was dat ze het konden horen. Die stem… Ik herkende die stem. Het was niet Richard Vance. Richard zat opgesloten in een cel.

Dit was iemand anders. Iemand met veel meer macht. Ik boog me voorzichtig een klein stukje om de pilaar heen om het gezicht van de man te zien. Toen de tl-buis boven zijn hoofd even flikkerde, viel het licht recht op zijn profiel. Mijn adem stokte. Mijn bloed stroomde als ijs door mijn aderen. Het was Professor Bernard Klok. De hoofd-directeur van het ziekenhuis.

De man die dertien jaar geleden ook de leiding had over de afdeling waar mijn oudste zoon was overleden. ‘Loomis heeft gefaald, Richard heeft gefaald, en nu verpest jij het ook!’ snauwde Klok. Hij greep Visser bij zijn revers. ‘Als de recherche dit koppelt aan de kliniek in Zwitserland, zijn we allemaal de klos!’ ‘Je moet me helpen weg te komen, Bernard!’ smeekte Visser wanhopig.

‘Ik heb gedaan wat je vroeg! Ik heb die jongen het kalium gegeven zoals je zei!’ ‘Je hebt jezelf verraden,’ zei Klok koud. En voor mijn verbijsterde ogen trok Professor Klok een pistool met een geluidsdemper uit zijn binnenzak. Pfft. Pfft. Twee doffe tikken klonken door de garage. Dr. Visser liet zijn handen los van Klok’s jas. Zijn ogen stonden wijd open van schok.

Hij zakte langzaam door zijn knieën en viel roerloos op de betonnen vloer. Ik sloeg mijn handen voor mijn mond om een schreeuw te onderdrukken. Klok keek zielloos neer op het lichaam van zijn collega. Hij stak het wapen terug in zijn mantel en buikte voorover om Visser’s zakken te doorzoeken. Op dat moment stapte ik per ongeluk op een lege blikje dat op de grond lag.

Het ijzeren geluid schalde door de stille garage. Klok verstijfde. Langzaam draaide hij zich om naar de pilaar waar ik achter stond. ‘Wie is daar?’ vroeg hij met een ijzige, kalme stem. Hij trok zijn pistool opnieuw tevoorschijn en begon langzaam, met afgemeten stappen, mijn richting uit te lopen. ‘Kom tevoorschijn,’ fluisterde hij. ‘En maak het mezelf niet te moeilijk.’ Ik klemde me vast aan de betonnen pilaar.

Er was geen uitweg. De achteruitgang was geblokkeerd en Klok sneed de weg naar de trap af. Terwijl zijn voetstappen steeds dichterbij kwamen, voelde ik in mijn jaszak. Mijn vingers raakten het metalen voorwerp dat ik van het bureau van Mr. Meijer had meegenomen. Julians oude zakmes. Toen Klok de hoek van de pilaar omkwam en het pistool recht op mijn gezicht richtte, keek hij me aan.

Er verscheen een dunne, gruwelijke glimlach op zijn gezicht. ‘Mevrouw Van der Meer…’ fluisterde hij. ‘Wat jammer dat u zo nieuwsgierig moest zijn. Net zoals uw oudste zoon dertien jaar geleden.’