DEEL 8 – In de buik van de stad
De woorden van mijn moeder echoden door de kille, klamme ruimte van de oude scheepswerf.
"Onder het hoofdbureau?" herhaalde ik, onthutst. "Je wilt dat we inbreken via het riool, precies onder de plek waar de meeste agenten van de stad zich bevinden?!"
"Het is de enige manier waarop Julian ons niet ziet aankomen," antwoordde mijn moeder stellig, terwijl ze het deilzeil verder wegtrok. Daaronder kwam een zwaar gietijzeren luik tevoorschijn dat rechtstreeks naar de ondergrondse kanalen van de stad leidde. "Julian verwacht dat je om negen uur 's ochtends als een wanhopige vrouw bij de hoofdingang van de bank probeert binnen te dringen. Hij heeft al zijn mannen bij de bank gepositioneerd. Het hoofdbureau is juist de plek waar ze ons níét verwachten."
Ik keek naar Emily, die moe en stil tegen mijn been aan leunde. Ze was te jong om dit allemaal te begrijpen, maar sterk genoeg om niet meer te huilen. Mijn beschermengelen-instinct vlamde in alle hevigheid op.
"En wat gebeurt er met Emily?" vroeg ik strak. "Ik neem haar niet mee een stinkend, gevaarlijk riool in."
Mijn moeder legde haar hand op mijn schouder. "Aan het einde van deze scheepswerf woont kapitein Den Dekker. Een oude vriend van je vader die volkomen betrouwbaar is. Hij zal op Emily passen tot we terugkomen met het bewijs. Ik zweer je op mijn leven, Sarah, dat haar niets zal overkomen."
Ik keek in de ogen van de vrouw die ik dertig jaar lang voor dood had gehouden. Er lag een diepe, oprechte liefde in haar blik die mijn wantrouwen langzaam deed smelten. Ik knielde neer voor Emily en keek haar strak aan.
"Emily, lieverd," zei ik zacht. "Mama moet even iets heel belangrijks doen met oma. Je gaat even bij een hele lieve meneer wachten. Oké?"
Emily keek me met haar grote ogen aan en knikte langzaam. "Ga je terugkomen, mama?"
"Ik kom altijd bij je terug," beloofde ik, en ik kuste haar op haar voorhoofd.
Vijf minuten later, nadat kapitein Den Dekker — een stoere, grijze zeeman — Emily veilig in zijn woning op het terrein had genomen, stonden mijn moeder en ik bij het gietijzeren luik.
Mijn moeder pakte twee krachtige waterdichte zaklampen uit de metalen koffer en overhandigde er één aan mij. "Houd de sleutel goed vast, Sarah. Als we die kwijtraken in het water, is alles voor niets geweest."
We lieten ons afzakken in de duisternis.
De geur van stilstaand water, roest en vocht sloeg me direct op de borst. Het rioolstelsel van de stad was een doolhof van oude bakstenen gewelven die stamden uit de negentiende eeuw. Het water reikte tot aan onze enkels en stroomde gestaag richting het kanaal.
We liepen in ganzenpas door de smalle pijp. Mijn moeder voorop, de weg wijzend met haar zaklamp. Het enige geluid was het geklots van onze laarzen in het vieste water en het constante gedrup van vocht vanaf de gewelfde plafonds.
"Mama," sprak ik na een half uur lopen, de stilte doorbrekende. "Waarom ben je al die jaren weggebleven? Waarom liet je mij achter?"
Mijn moeder stopte even, zonder zich om te draaien. Haar stem klonk hol in de betonnen tunnel. "Toen je vader werd vermoord, probeerde Julian mij ook te vergiftigen. Ik lag wekenlang in een coma in een ziekenhuis in het buitenland. Toen ik wakker werd, had Julian al het bewijs vernietigd en jou laten opnemen onder een valse naam. Als ik was teruggekomen zonder bewijs, zou hij ons allebei hebben afgemaakt. Ik moest wachten tot Richard sterk genoeg was om zich tegen zijn broer te keren."
"Richard heeft er veertig jaar over gedaan..." zei ik bitter.
"Richard was een lafbek," beet mijn moeder toe. "Totdat hij jou ontmoette. Toen hij zag hoe hard je vocht voor Emily, besefte hij wat voor een monster hij was geweest door te zwijgen. Jij hebt hem veranderd, Sarah. Jij hebt hem de moed gegeven om zijn laatste zet te doen."
Na nog eens twintig minuten zwoegen door het riool, bleef mijn moeder staan voor een zware, ijzeren deur die verroest in de bakstenen muur gemonteerd zat. Boven de deur hing een verbleekt bordje: RESERVE KELDER OUDE BANK - AUTORISATIE VEREIST.
"We zijn er," fluisterde mijn moeder. "Dit is de achterkant van de kluisruimte."
Ik keek naar de deur. Er zat geen gewoon slot op, maar een zwaar mechanisch cijferslot en een koperen sleutelgat dat precies de vorm had van de sleutel in mijn zak.
"De combinatie..." zei ik bezorgd. "Ik heb geen cijfercode gekregen van de advocaat!"
"Kijk naar de achterkant van de foto van je vader," zei mijn moeder rustig.
Ik haalde haastig de verkleurde foto tevoorschijn die ik uit Richards envelop had meegenomen. Ik poseerde de zaklamp erop. Op de achterkant, in het handschrift van mijn vader, stond een datum geschreven: 14-08-1984. De dag dat ik werd geboren.
Mijn vingers trilden toen ik de schijf van het cijferslot naar de getallen draaide. 1 - 4 - 0 - 8 - 8 - 4.
Een doffe klik klonk door de ruimte.
Vervolgens stak ik de zware koperen sleutel in het sleutelgat en draaide hem om. Met een luid, schurend geluid van zware tandwielen die na veertig jaar weer in beweging kwamen, zwaaide de zware ijzeren deur langzaam naar binnen open.
We stapten een felverlichte, moderne kluisruimte binnen. De vloer was van glanzend wit marmer, de muren bedekt met honderden roestvrijstalen kluisjes.
In het midden van de ruimte stond kluis nummer 304.
Mijn hart klopte in mijn keel. Ik stapte op de kluis af en stak de sleutel in het slot.
Maar voordat ik de sleutel kon omdraaien, klonk er achter ons een kille, bekende stem die de strakke stilte van de kluisruimte doorbrak:
"Prachtig gespeeld, dames. Echt heel knap."
Ik draaide me met een schok om.
Daar, bij de geopende ijzeren deur, stond Julian Vance. Hij droeg een strak maatpak, zijn arm hing in een mitella door de schotwond die Marcus hem had toegebracht, maar in zijn andere hand hield hij een pistool met een geluidsdemper.
Achter hem stonden vier zwaarbewapende beveiligers.
"Dacht je nou werkelijk," zei Julian met een wrede glimlach, "dat ik de rioolingang niet kende die mijn eigen broer heeft ontworpen? Ik heb jullie vanaf de scheepswerf laten volgen."
Hij richtte het pistool recht op het hoofd van mijn moeder.
"En nu, Sarah... geef me de inhoud van die kluis, of je ziet je moeder voor de tweede keer sterven."
* * *






