DEEL 4 – Het net sluit zich
Mijn hart leek stil te staan. De zwarte auto die buiten bij de benzinepompen stopte, was dezelfde SUV die ik eerder op de oprijlaan van het landgoed had gezien. De portieren vlogen open. Twee mannen in donkere regenjassen stapten uit.
"Mevrouw?" vroeg de kassier, die mijn blik volgde en vervolgens naar het televisiescherm keek. Zijn ogen werden groot toen hij de gelijkenis tussen mijn gezicht en de foto op het nieuws herkende. Hij deed automatisch een stap achteruit, zijn hand ging langzaam naar het telefoontoestel onder de balie. "U... u bent..."
"Neen! Luister naar me, het is niet wat je denkt!" fluisterde ik wanhopig, terwijl ik Emily weer in mijn armen tilde. "Ik ben erin geluisluisterd!"
Maar de jongen geloofde me niet. Zijn gezicht stond strak van schrik.
Er was geen tijd om hem te overtuigen. De glazen schuifdeuren van het tankstation openden zich met een zacht gezoem. De ijskoude wind waaide naar binnen, vergezeld van de zware voetstappen van de twee mannen.
Ik dook snel weg achter een van de hoge rekken met autoreinigingsproducten. Emily voelde de spanning en klemde haar gezichtje diep in mijn hals. Ik legde mijn hand over haar mondje om te voorkomen dat ze geluid zou maken.
"Ey jongen," klonk de rauwe, diepe stem van een van de mannen. "Heb je een vrouw gezien met een klein kind? Ze is lopend deze kant op gekomen."
Ik hoorde hoe de kassier aarzelde. Het papier van de tijdschriften op de balie ritselde. "I-ik... nee. Hier is niemand geweest."
De reactie van de jongen verraste me. Hij probeerde me te beschermen, of hij was simpelweg te bang om betrokken te raken.
"Lieg niet tegen me," beet de man hem toe. Ik hoorde het droge geluid van een geldbeugel die op de balie werd gesmeten, gevolgd door een kille, metalen klik. Het geluid van een doorgeladen pistool. "Ik vraag het nog één keer. Waar is ze?"
De stilte die volgde was verstikkend. Mijn spieren stonden zo strak dat ze pijn deden. Ik wist dat als ze ons hier vonden, we nooit meer levend buiten zouden komen. De valse beschuldiging op de televisie was duidelijk: ze wilden me afschilderen als een voortvluchtige moordenares, zodat niemand vragen zou stellen als ik 'per ongeluk' zou omkomen tijdens mijn arrestatie.
"Z-ze... ze is achterin," stotterde de kassier nu vol doodsangst. "Bij de opslagruimte!"
"Ga kijken," beval de leider aan zijn compagnon.
Ik hoorde de zware voetstappen richting de gang achterin de winkel bewegen. Dit was onze enige kans. De mannen waren afgeleid.
Aan het einde van het gangpad waar ik stond, bevond zich een nooduitgang. Een rode hendel met het opschrift ALARM. Als ik die hendel naar beneden zou duwen, zou er een loeizware sirene afgaan. Het zou de mannen waarschuwen, maar het zou ook chaos creëren.
Ik aarzelde niet. Ik rende naar de nooddeur, beukte met mijn elleboog tegen de hendel en duwde de zware metalen deur open.
Meteen vulde een oorverdovend, scherp alarmsignaal de winkel.
"Ze vlucht via de achterkant!" schreeuwde de man.
Ik stormde de donkere, regenachtige nacht in. Achter de winkel lag een klein industrieterrein met oude vrachtcontainers en opgestapelde houten pallets. De regen kwam nu in bakken uit de hemel vallen. Het maakte de grond glad en het zicht minimaal.
"Hier langst, mama!" dacht ik bij mezelf te horen, maar het was mijn eigen paniek die me voortdreef. Ik kronkelde tussen de hoge stapels containers door, terwijl het geluid van het alarm langzaam op de achtergrond verdween.
Achter me hoorde ik het geluid van spetterende voetstappen in de modder.
"Sarah! Je kunt niet blijven rennen!" galmde een stem door de duisternis. "Je hebt geen geld, je hebt geen onderdak en de hele politie van de provincie zoekt naar je! Overgeef je, dan maken we het snel!"
Die woorden bevestigden alles. Ze wilden me niet overdragen aan de politie. Ze wilden me uitschakelen.
Mijn voeten gleed uit over een natte olievlek op de kasseien. Ik viel hard op mijn knieën. Ik hield Emily krampachtig vast om te zorgen dat zij de klap niet opving. Een scherpe pijn scheet door mijn linkerknie, maar de adrenaline verdofte het gevoel.
"Geef op, Sarah," klonk een stem vlakbij.
Ik keek op. Aan het einde van de smalle steeg tussen twee containers stond een van de mannen. In zijn rechterhand hield hij een pistool met een geluidsdemper. Het licht van een lantaarnpaal viel op zijn gezicht.
Mijn adem stokte. Ik herkende hem.
Het was niet zomaar een ingehuurde crimineel. Het was Julian Vance — de jongere broer van Richard. De man die zogenaamd twintig jaar geleden ruzie had gekregen met Richard en met wie alle contacten waren verbroken.
"Julian..." fluisterde ik.
Hij glimlachte koud. "Mijn broer dacht dat hij zo slim was. Hij dacht dat hij zijn schuldgevoel kon afkopen door met de dochter van zijn oude partner te trouwen. Hij wou jou alles nalaten, Sarah. Het hele vermogen dat eigenlijk mij toekomt!"
"Mijn vader..." stotterde ik, terwijl ik langzaam achteruit krabbelde. "Jij hebt mijn vader vermoord!"
"Arthur Devries was een idioot die dacht dat hij de wereld kon veranderen," zei Julian gevoelloos. "Net zoals jij. En net zoals mijn broer. Maar het maakt niet meer uit wat je weet. Je bent nu een gezochte moordenares. Als ik je hier neerschiet, zal iedereen denken dat je je verzette bij een poging tot aanhouding."
Hij richtte het wapen precies op mijn borst.
"Nee!" schreeuwde ik, en ik boog mijn lichaam beschermend over Emily heen.
Er klonk een doffe PLOF.
Maar het was niet Julian zijn wapen dat afging. Julian zijn ogen werden groot van verbazing. Hij greep naar zijn schouder, waar plotseling bloed door zijn donkere jas sijpelde, en viel kermend op zijn knieën.
Achter hem stapte een gestalte uit de schaduw van de containers. Een man in een lange, donkere mantel, met een krachtig postuur en een strak gezicht.
"Stap in de auto, Sarah. Nu!" beval de man met een schorre, autoritaire stem.
* * *






