DEEL 3 – De vlucht door de nacht
Mijn hart ramde tegen mijn ribbenkast alsof het wilde uitbreken. De harde laarsgeluiden op de marmeren trap kwamen sneller en dichterbij. Ik aarzelde geen seconde meer. Ik graaide de brief, de verkleurde foto en de koperen sleutel van het bureau, propten ze diep in de zak van mijn jas en rende de studeerkamer uit, richting de kamer van Emily.
"Sarah, niet naar de gang!" zocht advocaat Van Der Meer met gedempte stem, maar het was al te laat.
Aan het einde van de lange, met schilderijen behangen gang zag ik twee brede silhouetten verschijnen. Mannen in donkere jassen. Een van hen hield iets glimmends in zijn hand. Een wapen.
"Daar is ze!" schreeuwde een van de mannen.
Ik keerde me op mijn hielen om, schoot de zijgang in en stormde de kinderkamer binnen. Emily, die rustig op het tapijt met haar houten blokken zat te spelen, keek geschrokken op. Haar grote, bruine ogen staarden me vol onbegrip aan.
"Mama? Wat is dat voor geluid?"
"Stil maar, lieverd," fluisterde ik haastig. Ik tilde haar in één beweging op, negeerde haar zachte protesten en klemde haar stevig tegen mijn borst. "We gaan een spelletje spelen. We moeten heel stil zijn, oké?"
Ik rende de kamer uit via de verbindingsdeur die naar de bibliotheek leidde. De bibliotheek van Richards landgoed was een gigantische ruimte, gevuld met duizenden oude boeken en hoge eikenhouten kasten. Richard had me eens, tijdens een van onze avondwandelingen door het huis, laten zien hoe de geheime passage werkte. Het was ooit gebouwd tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Mijn vingers zochten haastig achter de ruggen van de derde rijk boeken op de middelste plank. Daar! De koperen hendel. Ik trok hem met al mijn kracht naar beneden. Met een dof, schurend geluid zwenkte een gedeelte van de zware boekenwand langzaam naar binnen. Een donkere, koude opening openbaarde zich.
"Houd je vast, Emily," fluisterde ik.
Precies op het moment dat de deur van de bibliotheek met een luide knal werd opengetrapt, glipte ik de donkere holte in en trok de zware boekenwand achter ons dicht. Het mechanisme klikte vast.
In de duisternis van de geheime gang hoorde ik het gedempte gevloek van de mannen aan de andere kant van de muur.
"Ze is weg! Zoek het hele huis af! Ze kan niet ver zijn!"
Ik durfde nauwelijks adem te halen. De kille lucht van de ondergrondse gang rook naar vocht en oud steen. Emily klemde haar armpjes stevig om mijn nek. Ik voelde haar kleine lichaam trillen van angst.
"Mama, ik ben bang," fluisterde ze zacht tegen mijn oor.
"Ik weet het, schatje. Maar mama is bij je. Niets zal je overkomen," zei ik zo kalm mogelijk, hoewel de angst mijn eigen keel dichtsnoerde.
Met mijn vrije hand tastte ik langs de kille, ruwe stenen muur terwijl ik voorzichtig stap voor stap de steile trap afdaalde. De geheime gang leidde, zo had Richard me verteld, naar de oude ijskelder buiten het hoofdgebouw, vlak bij de rand van het dichtbegroeide bos dat het landgoed omringde.
Na wat een eeuwigheid leek, bereikte ik het einde van de trap. Een zware houten deur met een roestig grendel hield ons tegen. Ik duwde met al mijn gewicht tegen het kille hout. Met een luid gekraak week de deur uiteen en de ijskoude nachtlucht waaide in mijn gezicht. Raindruppels striemden mijn huid.
We waren buiten. In de verte, bij de oprijlaan van het landgoed, zag ik de koplampen van een zwarte SUV glanzen. De mannen waren niet alleen.
Ik wist dat we niet lang de tijd hadden. Als ze de bibliotheek grondig zouden doorzoeken, zouden ze het geheime mechanisme snel genoeg ontdekken. Ik klemde Emily steviger vast en begon te rennen, diep het donkere, natte bos in. Takken sloegen in mijn gezicht en de modder zoog aan mijn schoenen, maar ik stopte niet.
Na twintig minuten rennen bereikten we de rand van de provinciale weg. Mijn kleren waren doorweekt, mijn adem snelde in korte, hete stoten. Emily was stil geworden, haar hoofdje rustte zwaar op mijn schouder.
Een paar honderd meter verderop zag ik de gele lichten van een klein tankstation dat nog open was. Het was de enige plek van licht in de wijde omtrek.
Ik haaste me naar het tankstation, stapte de warme, felverlichte winkel binnen en zette Emily op een stoel bij de ingang. De jonge medewerker achter de kassa keek me verbaasd en wantrouwig aan. Mijn kleren waren besmeurd met modder en mijn haar hing in natte pieken langs mijn gezicht.
"Mevrouw? Gaat het wel?" vroeg hij aarzelend.
"Alstublieft," zei ik met schorre stem. "Ik heb hulp nodig. Kan ik de telefoon gebruiken?"
Voordat de jongen kon antwoorden, viel mijn oog op het kleine televisiescherm dat boven de kassa hing. Het was het lokale nieuws van elf uur. Mijn bloed stroomde op dat moment letterlijk als ijs door mijn aderen.
Op het scherm verscheen een foto van mij. Een foto die pas geleden was genomen. Daaronder stond in grote, rode letters een banner:
GEZOCHT: SARAH VANCE VERNEDERD EN VERDACHT VAN MOORD OP RICHARD VANCE.
Ik staarde naar het scherm, buiten staat van reactie. Het nieuwsbericht meldde dat Richard Vance niet aan een natuurlijke dood was gestorven, maar was vergiftigd — en dat ik, zijn jonge echtgenote, als hoofdverdachte werd gezien en op de vlucht was geslagen.
Op dat exacte moment stopte er met gierende banden een zwarte auto op het voorterrein van het tankstation.
* * *






