* * *
DEEL 5 — De dag die ik vergeten was
Die nacht sliep ik nauwelijks.
Ik lag wakker en dacht aan 14 oktober.
De dag vóór James verdween.
Ik had mezelf die dag honderden keren voor de geest gehaald.
James stond 's morgens in de keuken.
Hij dronk koffie.
Hij zei dat hij naar kantoor moest.
Ik herinnerde me dat hij me had gekust voordat hij vertrok.
Daarna had ik hem niet meer gezien.
Tenminste…
Dat dacht ik.
De volgende ochtend ging ik vroeg naar mijn werk.
Sophie was er al.
Ze zat aan haar bureau met haar hoofd in haar handen.
“Heb je geslapen?”
“Nauwelijks.”
Ik zette een kop koffie voor haar neer.
“Heb je de politie gebeld?”
“Voor wat?”
“Voor die berichten.”
Ze keek me aan.
“Wat kan ik zeggen? Iemand stuurt me anonieme berichten omdat mijn moeder blijkbaar een geheim had.”
“Je kunt zeggen dat je je bedreigd voelt.”
Ze zweeg.
Toen vroeg ze:
“Waarom heeft James mijn moeder geholpen?”
“Ik weet het niet.”
“Maar u moet iets weten.”
Ik keek haar aan.
“Waarom?”
“Omdat uw naam in de brief stond.”
Daar had ze gelijk in.
Ik pakte mijn telefoon en opende mijn oude agenda-app.
Ik had destijds alles bijgehouden.
Afspraken.
Boodschappen.
Telefoongesprekken.
Zelfs kleine dingen.
Ik zocht op 14 oktober.
Er verscheen niets.
Ik probeerde 13 oktober.
Ook niets.
Toen zag ik iets vreemds.
Een oude kalendernotitie die ik jarenlang niet had geopend.
19:30 — ziekenhuis.
Ik fronste.
“Ziekenhuis?”
Sophie kwam naast me staan.
“Waarom stond James daar?”
“Ik weet het niet.”
“Was hij ziek?”
“Nee.”
“Had iemand anders iets?”
Ik schudde mijn hoofd.
Maar toen herinnerde ik me iets.
Een paar weken vóór zijn verdwijning had James me verteld dat hij iemand in het ziekenhuis bezocht.
Hij had gezegd dat het om een oude kennis ging.
Ik had nooit gevraagd wie.
Omdat ik hem vertrouwde.
Nu voelde dat vertrouwen als een steen in mijn maag.
Ik zocht de oude ziekenhuisnaam op.
Het ziekenhuis bestond nog steeds.
Sophie pakte haar jas.
“We moeten daarheen.”
“Waarom?”
“Omdat mijn moeder misschien daar heeft gelegen.”
We reden samen naar het ziekenhuis.
In het archief konden ze ons niet zomaar medische dossiers geven.
Maar toen Sophie haar moeders naam noemde, veranderde de medewerker achter de balie van houding.
“Marianne De Vries?”
“Ja.”
“Bent u familie?”
“Ik ben haar dochter.”
De medewerker keek naar haar scherm.
“Een moment.”
Hij liep weg.
Na een paar minuten kwam hij terug met een map.
“Ik mag u de inhoud niet geven, maar er staat hier dat mevrouw De Vries dertig jaar geleden een patiënt was.”
Sophie keek me aan.
“Waarom?”
De medewerker aarzelde.
“Dat staat niet in dit overzicht.”
“En de naam James Carter?”
Hij keek opnieuw op zijn scherm.
Deze keer werd zijn gezicht serieus.
“Die naam komt inderdaad voor.”
Mijn hart sloeg over.
“Wanneer?”
Hij controleerde het dossier.
“14 oktober.”
Sophie pakte mijn arm.
“De dag voordat James verdween.”
De medewerker keek ons aan.
“Maar dat is niet het vreemdste.”
“Wat dan?”
Hij bladerde door een oud register.
“Volgens dit register was meneer Carter niet alleen bezoeker.”
“Wat was hij dan?”
De man keek naar de gegevens.
“Hij stond geregistreerd als contactpersoon.”
Sophie fluisterde:
“Voor mijn moeder?”
De medewerker knikte.
Ik voelde mijn benen slap worden.
James had mij nooit verteld dat hij Marianne in het ziekenhuis had bezocht.
Hij had mij zelfs nooit verteld dat hij haar contactpersoon was.
Maar toen de medewerker de volgende regel las, werd alles nog vreemder.
“Er staat hier dat meneer Carter op 14 oktober om 19:42 uur het ziekenhuis verliet.”
Ik keek naar de klok.
19:42.
Ik herinnerde me ineens iets.
Die avond had ik thuis op de bank gezeten.
Ik had naar de klok gekeken.
Om precies 20:15 uur had ik James gebeld.
Hij nam niet op.
Ik had gedacht dat hij nog op kantoor was.
Maar volgens dit register was hij al lang ergens anders geweest.
Sophie keek me aan.
“Wat deed hij tussen 19:42 en het moment dat hij thuis kwam?”
Ik wilde antwoorden.
Maar toen zag ik een notitie onderaan het formulier.
Een handgeschreven regel.
“Patiënt heeft verzocht dat de identiteit van de vader van het kind geheim blijft.”
Sophie werd doodstil.
“Welk kind?”
De medewerker keek naar haar geboortedatum.
Toen keek hij naar mij.
En ik wist het antwoord voordat hij het uitsprak.
“U.”
* * *






