DEEL 9 — De onbekende op het bankje
Mijn stappen vertraagden onmiddellijk. Ik bleef als aan de grond genageld staan op het grindpad, mijn ogen samengeknepen tegen de laagstaande zon. Op het houten bankje, precies op de plek waar Thomas gedurende al die maanden zo trouw zijn uren had doorgebracht, zat een jonge vrouw. Ze droeg een lichte jas en had een dikke sjaal om haar hals geslagen. Haar haar was donker, in een losse knot gebonden, en ze hield een open boek op haar schoot, hoewel ze niet aan het lezen was. Haar blik was strak gericht op het lege pad voor zich, precies dezelfde houding, dezelfde uitdrukking van stille verwachting die ik zo goed kende van Thomas.
Een koude rilling trok over mijn rug, ondanks de warme najaarszon. Was dit een grap? Of was dit een teken van iets wat ik niet kon begrijpen? Ik voelde de neiging om rechtsomkeert te maken en terug te lopen naar de veilige muren van mijn huis. Dit ging mijn verstand te boven. Ik was een man van feiten, van logica, van structuur. Maar de afgelopen dagen hadden alle regels van mijn rationele wereld aan digten geslagen.
Toch overwon mijn nieuwsgierigheid de angst. Ik zette weer stappen, traag en bedachtzaam, totdat ik vlak bij het bankje was. De vrouw hoorde het geknisper van het grind onder mijn schoenen en draaide haar hoofd naar mij toe. Haar ogen waren groot, helder en hadden een merkwaardige, doordringende glans. Ze lekte in het geheel niet verrast of geschrokken door mijn aanwezigheid. Integendeel, het was alsof ze mij al had verwacht.
"Goedemiddag," zei ik, met een stem die iets vreemder klonk dan ik had bedoeld.
Ze glimlachte zwakjes. Het was geen brede lach, maar een glimlach die meteen een diepe rust uitstraalde. "Goedemiddag, William."
Mijn hart sloeg een slag over. Ze kende mijn naam? Ik had me nog niet eens voorgesteld. Hoe kon deze jonge vrouw, die erüitzag alsof ze nog geen dertig jaar oud was, mijn naam weten? Ik liet me langzaam op de lege plek van het bankje zakken, op gepaste afstand van haar, net zoals ik vroeger altijd naast Thomas had gezeten.
"Je weet wie ik ben?" vroeg ik voorzichtig, terwijl ik haar scherp aankeek.
Ze knikte langzaam en sloeg haar boek dicht. Het omslag was versleten, het papier vergelijkt door de tijd. Ik kon de titel net niet lezen, maar de vorm kwam me akelig bekend voor. Het leek op dezelfde soort schriften waarin Thomas zijn verhalen had opgeschreven.
"Thomas heeft me over je verteld," zei ze met een zachte, melodieuze stem die erg deed denken aan de verhalen die ik had gelezen. "Niet met woorden, maar door de manier waarop hij over je sprak in de laatste weken van zijn leven. Hij zei dat jij de enige was die de stilte kon begrijpen zonder dat er woorden voor nodig waren."
Ik zweeg. Mijn keel voelde droog aan. Ik keek naar het pad voor ons, naar de hoofdingang van het park waar de schaduwen steeds langer werden. De klok van de kerktoren in de verte begon met een trage, zware slag te luiden. Eén, twee, drie, vier... het was vijf uur. Het magische tijdstip waarop alles begon en eindigde.
"Wie ben jij?" vroeg ik toen de laatste slag van de klok was weggestorven in de lucht.
De vrouw keek me aan, en in haar ogen lag een diepte die me deed beseffen dat dit antwoord mijn hele wereld opnieuw op zijn kop zou zetten. Maar voordat ze kon antwoorden, hoorden we het geluid van lichte voetstappen op het pad achter ons, voetstappen die steeds dichterbij kwamen, alsof iemand ons naderde uit een verleden dat we allang vergeten waren.






