DEEL 2 — De eerste zin op het papier
De woorden staren me aan in het koude middaglicht van het park dat net zo goed mijn eigen geest leek te weerspiegelen. "William, als je dit leest, ben ik eindelijk daar waar ik al veertig jaar lang op hoopte te zijn." Mijn vingers trilden licht toen ik de dikke, ietwat bibberige handgeschreven letters op het perkamentachtige papier volgde. Veertig jaar?
Hoe kon dat? Thomas had altijd gesproken over Anna alsof ze gisteren nog samen aan de ontbijttafel hadden gezeten, alsof haar geur nog in de hal van zijn huis hing, alsof haar stem door de gangen galmde. Mijn gedachten vlogen alle kanten op terwijl de wind zachtjes door de bladeren van de oude bomen ruiste. Was hij de weg kwijtgeraakt in zijn eigen herinneringen? Was het een vorm van dementie geweest die zijn geest had overgenomen en hem in een eigen wereld hield gevangen?
Nee, dat kon niet. Gedurende al die maanden dat ik naast hem had gezeten, had ik nooit enige incoherentie opgemerkt. Hij sprak helder, observeerde de wereld om zich heen met een scherpe blik en kende elk vogeltje dat op de nabijgelegen takken neerstreek. Hij was scherper dan ik op vele dagen was. Toch stond het daar zwart op wit. Ik besloot door te lezen, hoewel mijn hart in mijn keel klopte. De envelop bevatte niet zomaar een brief; het was een dik stapeltje papieren, zorgvuldig op elkaar gelegd en bijeengebonden met een dun rood touwtje. Het rook naar oud papier, naar een mix van gedroogde lavendel en tabak – de geur die ik zo goed van hem kende.
Ik ging op het lege bankje zitten, dezelfde plek waar we zo vaak in stilte hadden gezeten. Om ons heen liepen mensen voorbij met snelle passen, honden blaften in de verte, kinderen speelden op het grasveld, maar voor mij stond de tijd even helemaal stil. De schaduwen van de bomen werden langer naarmate de zon langzaam wegzakte achter de daken van de huizen rondom het park.
Het was precies vijf uur. De klok van de oude kerktoren in de verte begon te slaan. Eén, twee, drie, vier, vijf slagen galmden door de stille lucht. Automatisch keek ik naar de hoofdingang van het park, alsof ik verwachtte dat zijn gestalte in die bekende bruine jas alsnog het pad zou opkomen lopen. Maar het pad bleef leeg. Alleen een dwarrelend herfstblad werd door de wind over het grind geduwd.
Ik haalde diep adem en sloeg de eerste bladzijde om. Het verhaal dat Thomas had opgeschreven, begon niet in het park, en het begon ook niet in de moderne tijd. Het nam me mee naar een periode ver voordat ik ook maar enig vermoeden had gehad van zijn bestaan, naar een tijd waarin de wereld er heel anders uitzag. Het was het jaar 1965, zo las ik in de marge van de eerste pagina.
Een tijd van brommers met luid tweetaktgeluid, van lange regenmantels en platenzaken in smalle straatjes. Thomas was toen een jonge man van begin twintig geweest, vol ambitie en dromen over de toekomst. Hij werkte als leerling-architect en bracht zijn dagen door met het tekenen van huizen die generaties lang zouden moeten meegaan.
Maar op een koude novemberdag in datzelfde jaar veranderde alles. Niet door een gebouw dat hij ontwierp, maar door een ontmoeting in een klein koffiehuis op de hoek van de markt. Het was daar dat hij Anna voor het eerst had gezien. Ze zat aan een klein tafeltje bij het raam, gebogen over een dik boek met poëzie, terwijl een kop hete thee langzaam afkoelde voor haar. Thomas had de deur opengedaan, de kou van buiten meenemend, en op het moment dat ze opkeek en hun blikken elkaar kruisten, was het alsof de tijd even ophield met bestaan. Zo omschreef hij het met prachtige, haast poëtische woorden. Het was geen gewone verliefdheid; het was een blik die zijn ziel doorboorde.
Ik las verder, dieper het verleden in. De bladzijden gleden onder mijn vingers vandaan terwijl het daglicht langzaam plaatsmaakte voor de schemering. De straatlantaarns rondom het park klikten een voor een aan en wierpen een gelige, warme gloed over het lege bankje. Thomas beschreef hoe ze elkaar na die eerste ontmoeting elke dag zagen. Ze wandelden urenlang door dezelfde straten, praatten over kunst, over dromen, over de wereld die ze samen wilden opbouwen. Het was een liefde die zo intens en puur was dat het bijna pijn deed om te lezen. Ze waren onafscheidelijk. Alsof het universum hen voor elkaar had bestemd.
Maar in de volgende alinea veranderde de toon van het handschrift. De letters werden iets scherper, de inkt drukte dieper door in het papier, alsof de hand die het schreef toen al beefde van emotie of angst. Het jaar 1968 naderde. Het jaar waarin alles anders werd. Ik keek even op van het papier, rillend van de avondkoelte die door het park trok, en besefte dat dit pas het begin was van een enorm geheim dat decennialang verborgen was gebleven.






