DEEL 3 — De schaduw van 1968
Het papier voelde ineens zwaarder aan in mijn handen. De idyllische toon van de jonge liefde tussen Thomas en Anna maakte in de brief abrupt plaats voor een beklemmende sfeer. Het najaar van 1968 was geen seizoen van vallende bladeren en romantische wandelingen meer; het werd in de woorden van Thomas een periode waarin de wereld om hen heen begon in te storten. Terwijl ik las, voelde ik de spanning in mijn eigen maag stijgen. Wat kon er in hemelsnaam gebeuren in die tijd dat zo ingrijpend was dat hij er vijftig jaar later nog steeds elke dag over dacht op dat bankje?
Volgens het dagboekachtige verslag van Thomas was de familie van Anna fel tegen hun relatie gekeerd. In die jaren telden stand en afkomst nog zwaar door, zeker in het conservatieve dorp waar ze woonden. De vader van Anna was een invloedrijke zakenman, een man met aanzien en een harde reputatie, die grootsere plannen had voor zijn dochter dan een eenvoudige, armoedige tekenaar in opleiding.
Thomas beschreef hoe ze elkaar in het geheim moesten ontmoeten. Ze spraken af in donkere steegjes, achter de oude bibliotheek of op de rand van het bos waar niemand hen kon zien. Hun liefde groeide juist door de tegenslagen; elke ontmoeting voelde als een kleine overwinning op een wereld die hen probeerde te scheiden.
Maar liefde, hoe sterk ook, kan niet altijd opboksen tegen harde realiteiten en brute inmenging. Op een avond in oktober van datzelfde jaar verscheen Anna niet op hun vaste afspraakplek bij de oude brug. Thomas had gewacht. Eén uur, twee uur, tot de mist uit de rivier opsteeg en zijn jas doorweekt raakte van de kilte. Ze kwam niet. De volgende dag hoorde hij via via het vreselijke nieuws dat haar vader had besloten haar naar het buitenland te sturen, ver weg, naar een familielid in Duitsland, om de 'ongepaste romance' voorgoed te beëindigen.
Thomas was als een bezetene naar haar huis gerend. Hij had op de zware houten deur gebonkt tot zijn knokkels bloedden. Maar er werd niet opengedaan. De ramen waren gesloten, de gordijnen zaten potdicht. Het huis leefde niet meer; het ademde dezelfde kou als de herfstdag waarop hij haar voor het eerst had gemist. Toen hij de bewoners van het pand ernaast vroeg wat er was gebeurd, kreeg hij alleen te horen dat het gezin met de noorderzon was vertrokken en niemand wist waarheen. Geen adres, geen afscheidsbrief, geen enkel teken van leven.
Ik veegde een traag dwarrelend blaadje van het papier en las verder, diep ingespannen in het zwakke licht van de straatlantaarn. Thomas schreef over de wanhoop die hem in die maanden overspoelde. Het leven verloor zijn kleur. Hij ging door met zijn studie, haalde zijn diploma, ontwierp gebouwen die door anderen werden geprezen, maar van binnen was hij leeg. Hij bleef zoeken. Jarenlang reed hij in zijn oude auto naar steden waarvan hij dacht dat ze daar misschien zou zijn. Hij liep langs stations, door parken, langs cafés met uitzicht op grote pleinen. Maar tevergeefs. Anna leefde voort in zijn herinnering als een bevroren beeld van geluk dat hem nooit meer zou loslaten.
Het meest aangrijpende deel van deze bladzijden was echter de biecht over hoe hij uiteindelijk in dit park terecht was gekomen. Het park waar we elkaar hadden leren kennen, was niet zomaar een willekeurige keuze geweest. Het was de plek waar ze elkaar in de lente van 1966 voor het eerst echt hadden vastgehouden, ver weg van de strenge ogen van haar vader.
Hier hadden ze geluisterd naar de vogels, hier hadden ze gelachen om flauwe grappen, hier had hij haar voor het eerst gekust onder de bloeiende kastanjebomen. Toen hij vele decennia later, na een lang en eenzaam leven, merkte dat zijn krachten afnamen en zijn herinneringen het enige waren wat hem nog op de been hield, nam hij een besluit. Hij zou elke dag op datzelfde bankje gaan zitten. Precies om vijf uur. Het tijdstip waarop ze elkaar altijd ontmoetten voordat de wereld uit elkaar viel.
Ik keek op van de bladzijde. Mijn keel voelde droog aan. Hoe kon iemand zo lang vasthouden aan een schim uit het verleden? Was het liefde, of was het een obsessie die hem had verteerd tot de oude man die ik had leren kennen? Maar terwijl ik die vraag door mijn hoofd liet gaan, bereikte ik de volgende alinea, en daar veranderde de toon opnieuw. Dit was niet het einde van het verhaal. Dit was pas het fundament van een onthulling die alles wat ik dacht te weten op zijn kop zou zetten. Want in de marge van de volgende bladzijde stond een datum genoteerd die pas een paar weken geleden had plaatsgevonden. En wat daar stond beschreven, deed mijn bloed in aderen staren.






