DEEL 11 – De ontmoeting in de verlaten boswachtershut
We schûlden de rest van die nacht in een oude, vervallen boswachtershut die Johan toevallig kende uit zijn jeugd. Het dak lekte op verschillende plaatsen, en de wind huilde door de kapotte vensters, maar het was droog genoeg om op adem te komen. Johan stak met wat nat hout en een aansteker een klein vuurtje aan in een oude open haard, wat al snel een flakkerend licht en wat warmte verspreidde in de kille ruimte.
Ik zat op een houten kist met Lucas in mijn armen, die gelukkig rustig doorsliep ondanks de kou. Ik vertelde Johan alles: over Raúl, ons vreemde huwelijk, het huis aan de Lindenlaan, de hebzuchtige neven, de mysterieuze brief uit Zürich, en het telefoontje van Elena uit Buenos Aires over het vergeten trustfonds. Johan luisterde aandachtig zonder mij te onderbreken, terwijl hij met zijn handen dicht bij het vuur zat.
Toen ik zweeg, keek hij me aan met een blik vol diep respect en herkenning. “Raúl Hernández…” zei Johan peinzend. “Die naam heb ik eerder gehoord. Lang geleden, in de jaren tachtig, werkte ik in de diplomatieke dienst in Zuid-Amerika. Er ging een gerucht over een briljante arts en wetenschapper die ondergedoken was na een staatsgreep. Ze zeiden dat hij de sleutel in handen had tot een medisch patent dat miljarden waard was, maar dat hij alles had achtergelaten om een eenvoudig leven te leiden.” Mijn ogen werden groot.
“Dus het is waar? Het geld bestaat echt?” “Het geld bestaat zeker,” knikte Johan. “En niet alleen geld. Technologie, medische patenten en eigendommen in drie verschillende continenten. De mensen die achter je aan zitten, zijn geen gewone criminelen. Ze behoren tot een internationale syndicaat dat decennia lang heeft geprobeerd om dat vermogen in handen te krijgen.
Ze dachten dat Raúl het mee naar zijn graf had genomen. Maar toen jij van hem zwanger raakte en hij dat kind erkende, werd Lucas plotseling de enige wettelijke erfgenaam van dat hele imperium.” Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen. “Dus we zijn niet alleen op de vlucht voor de neven in Nederland… we zijn het doelwit van een internationaal crimineel netwerk?” “Precies,” zei Johan ernstig.
“En als we nu niet heel slim handelen, zullen ze ons vinden. Want ze hebben satellieten, gezichtsherkenning en contacten in elke overheidsinstantie.” “Wat moeten we dan doen?” vroeg ik, terwijl de tranen over mijn wangen rolden. “Kunnen we nergens heen?” Johan stond op, liep naar het raam dat uitkeek op het mistige bos, en keek de nacht in. “Er is één plek waar ze niet durven te zoeken,” zei hij zacht. “Een oude vriend van mij woont diep in de bergen, net over de grens. Iemand die Raúl in de jaren ziek heeft geholpen toen hij voor het eerst naar Europa kwam. Als we daar komen, zijn we veilig... voorlopig.”






