DEEL 10 – De noodstop en de sprong in het duister
Een gierende, oordovende kreet klonk door de hele trein toen de remblokken met enorme kracht op de stalen wielen slogen. Vonken spatten op tegen de ruiten van het gangpad. Door de abruptheid van de noodstop werd ik naar voren geslingerd, maar ik wist Lucas met mijn eigen lichaam te beschermen tegen de metalen deurknop. De man in de regenjas vloekend achtervolgde ons, maar door de schok viel hij voluit op de grond.
“Snel eruit!” riep de oudere man die mij had geholpen, terwijl hij met zijn voet de nooddeur van de trein, die inmiddels bijna tot stilstand was gekomen op een verlaten viaduct, opentrapte. Buiten gierde de wind en regende het pijpestelen. Er was geen station te bekennen; we stonden midden in een bosrijk grensgebied. “Durf je te springen?” riep de oude man naar mij, zijn ogen vol besluitbaarheid.
Ik keek naar beneden. Het talud was steil en bedekt met nat gras en modder, zo’n twee meter naar beneden. Maar achter ons hoorde ik het geluid van harde stappen in het gangpad. De neger was weer overeind gekomen en naderde ons met getrokken wapen. Er was geen keuze meer. “Houd Lucas goed vast,” zei ik tegen mezelf, wikkelde mijn sjaal extra stevig om zijn rug, en sprong de diepte in.
De landing was keihard. Mijn enkel schoot in de brandende pijn toen ik neerkom op de modderige helling, en we rolden samen naar beneden tot we tot stilstand kwamen tegen een dikke eikenboom. Boven ons op het viaduct klonk een woedende schreeuw van de achtervolger, gevolgd door een harde knal. Een kogel boorde zich in de schors van de boom net boven onze hoofden en liet splinters in het rond vliegen.
“Ren! Niet omomkijken!” riep de oude man, die met verrassende behendigheid achter ons aan was gesprongen. We strompelden het donkere bos in, de regen in ons gezicht, het slijk tot onze enkels. We renden en gleden door de braamstruiken tot de lichten van de trein in de verte langzaam wegreken en we alleen nog het geruis van de wind in de dennenbomen hoorden.
Toen zakten we ineeën achter een groot struikgewas, hijgend en trillend van de kou en de adrenaline. Lucas was na al het geschreeuw inmiddels weer in slaap gevallen van pure uitputting, zijn hoofdje zwaar tegen mijn schouder. De oude man die ons had geholpen, ademde diep uit en glimlachte zwakjes in het donker. “Mijn naam is Johan,” zei hij zacht. “En ik denk, Clara, dat jij mij nu eens moet vertellen wie er in vredesnaam op je jaagt.”






