DEEL 6: HET HUIS AAN DE KUST
De reis naar het landhuis aan zee bracht ons weg van de drukte van de stad, dieper de ruige kuststreek in waar de mist altijd boven de duinen hing. De zwarte sedan reed over een smalle, slingerende weg die omringd werd door oude dennenbomen die door de zeewind krom waren gegroeid. Terwijl de regen zachtjes tegen de autoruiten tikt, keek ik naar buiten. Het landhuis lag afgelegen, ver weg van de bewoonde wereld, net zoals Harrison had beschreven in zijn laatste aantekeningen.
Toen we de oprijlaan opreden, zag ik het gebouw in al zijn sombere glorie liggen. Het was een groot negentiende-eeuws landhuis met witte muren die hier en daar door de zilte lucht waren aangetast, hoge gotische ramen en een leien dak dat glansde in het grijze licht. Het zag er verlaten uit, alsof de tijd er veertig jaar lang had stilgestaan. En toch brandde er ergens op de bovenste verdieping een zwak, flakkerend licht.
Mijn hart sloeg een slag over.
“Wacht even,” zei ik tegen Meester van der Linden, terwijl de chauffeur de motor uitzette. “Zag u dat ook?”
De advocaat fronste zijn wenkbrauwen en tuurde door de voorruit naar het donkere raam op de tweede verdieping. “Ja. Er is iemand binnen. Dat is vreemd, want volgens het kadaster stond dit pand al jaren leeg en zou het pas na de afhandeling van de erfenis worden vrijgegeven.”
De woorden van Harrison schoten door mijn hoofd: ‘Ze zoeken naar wat hij in dat landhuis heeft verborgen.’ Wie waren ‘ze’? Bedoelde hij zijn eigen kinderen, die ons kennelijk hadden gevolgd? Of waren er andere krachten uit het verleden van Julian en Harrison die nog steeds niet hadden gerust?
We stapten uit. De zilte zeelucht sloeg koud in mijn gezicht. Met de zware koperen sleutel in mijn hand liep ik naar de massieve eikenhouten voordeur. Het koper voelde ijskoud aan. Ik stak de sleutel in het slot. Het draaide stroef, met een diepe, mechanische klik die door de lege hal echoën.
De hal was enorm, met een brede houten trap die naar de verdiepingen leidde en een dikke laag stof op de antieke meubels. Overal hingen portretten van vreemde families wier ogen mij leken te volgen in het schemerdonker. Maar wat me het meeste opviel, was het zwakke geluid van voetstappen ergens boven ons. Iemand liep op komsachtige pantoffels over de houten vloer van de bovenverdieping.
“Blijft u alstublieft achter mij, mevrouw De Jong,” fluisterde Meester van der Linden, terwijl hij zijn aktetas opende en discreet zijn telefoon gereed hield om de politie te bellen.
Ik negeerde zijn waarschuwing. Iets in mij werd gedreven door een kracht die sterker was dan angst. Ik zette mijn voet op de eerste treden van de trap, het hout kraakte luid onder mijn schoenen. Elke stap bracht me dichter bij het antwoord op een mysterie dat al veertig jaar sluimerde.
Toen ik de overloop bereikte, zag ik dat de deur van de grote studeerkamer op een kier stond. Daar brandde een kleine bureaulamp. Ik duwde de deur langzaam open.
Achter het massief houten bureau zat geen inbreker, geen van de kinderen van Harrison, en ook geen onbekende vijand. Daar zat een oude man met wit haar en een vertoogd gezicht, die rustig opkeek toen de deur openviel. En toen hij mijn naam noemde, wist ik dat alles wat ik tot nu toe dacht te weten... een leugen was geweest.






