DEEL 5: HET BANKKLUISJE IN HET STADSCENTRUM
De volgende ochtend voelde de lucht anders aan. De herfstwind gierde langs de hoge ramen van het verzorgingstehuis, maar in mijn borst stormde het nog harder. Meester van der Linden had geregeld dat een discrete auto mij zou ophalen om naar de centrale bank in de stad te rijden. Richard en zijn broer hadden ons kennelijk opgewacht bij de ingang, want toen de zwarte sedan wegreed, zag ik hun gezichten achter een pilaar vandaan gluren, vol woede en argwaan. Ze dachten nog steeds dat we op de vlucht waren voor hun advocaten. Ze begrepen niet dat het echte verhaal zich elders afspeelde.
De rit naar de bank duurde bijna een uur. Terwijl het drukke stadsleven aan het raam voorbijgleed, dacht ik aan alles wat Harrison me had verteld. Hoe kon een man die zo liefdevol en zachtaardig was in het verleden zo’n meedogenloze keuze hebben gemaakt? Maar toen herinnerde ik me zijn ogen toen we samen schaakten. Harrison was een man die zijn hele leven beslissingen had moeten nemen die niemand anders durfde te nemen. Hij had mij gered van een leven in vergetelheid, en misschien had hij mij veertig jaar geleden ook gered, al had dat een verschrikkelijke prijs gekost.
Bij de bank werden we ontvangen door de directeur zelf, een oudere man met een keurig gestreken pak en een bril met gouden montuur. Hij herkende de naam van Harrison onmiddellijk en leidde ons naar de beveiligde kluizenruimte in de kelder. De muren waren van dik gewapend beton, en de zware stalen deur rook naar oud papier, metaal en vergeten geheimen.
“Hier is het, mevrouw De Jong,” zei de bankdirecteur, terwijl hij een sleutel in het slot stak. Hij keek me met een vriendelijke glimlach aan. “Kluis nummer 412. Deze is al sinds oktober 1986 onaangeroerd gebleven. Alleen de heer Harrison en de oorspronkelijke deposant hadden volmacht, en laatstgenoemde heeft de rechten destijds aan uw naam overgedragen.”
De deur draaide met een diep, zwaar geluid open.
In het kleine metalen vakje lagen geen stapels geld of glinsterende juwelen. Er lag slechts één enkele, dikke bruine enveloppe, verzegeld met rode lak, en een klein, antiek houten kistje met ingelegde koperen patronen. Ik voelde een brok in mijn keel. Mijn handen trilden toen ik het houten kistje oppakte. Het rook naar sandelhout en oude boeken.
“Ga uw gang,” fluisterde Meester van der Linden bemoedigend.
Ik opende het kistje. Binnenin lag niet alleen een dikke stapel brieven die Julian destijds vanuit Canada had geschreven – brieven die Harrison blijkbaar nooit had laten doorsturen, maar wel altijd had bewaard – maar ook een officieel eigendomsbewijs. Het betrof een groot landhuis met uitgestrekte bossen aan de rand van de kust, precies op de plek waar wij elkaar destijds hadden ontmoet. En erboven zat een sleutel met een klein porseleinen labeltje.
Ik nam een van de brieven uit het stapeltje en vouwde het papier voorzichtig open. Het handschrift van Julian sprong me tegemoet.
‘Lieve Martha,’ stond er geschreven. ‘Als je dit leest, ben ik ver weg. Harrison heeft me verteld dat jij veilig bent, en dat is het enige dat telt. Ik weet niet of we elkaar ooit nog zullen terugzien in dit leven, maar weet één ding: mijn hart is nooit uit dat kleine havenstadje vertrokken. Mocht je ooit de moed hebben om terug te gaan naar ons plekje aan zee, dan zul je ontdekken dat ik op je heb gewacht...’
De datum onderaan de brief liet mijn adem stokken. Het was geschreven op de dag van zijn dood. Drie jaar geleden. Julian was nooit getrouwd. Hij was altijd van mij gebleven.
Maar toen ik de laatste brief uit de envelop trok, viel er een klein papiertje uit met een getypte boodschap. Een boodschap die niet van Julian afkomstig was, maar van Harrison, gedateerd slechts een week voor zijn dood:
‘Martha, vergeef me niet te snel. Maar voordat je naar het landhuis aan zee gaat, moet je één ding weten over de dood van Julian. Hij is niet door een natuurlijke dood gestorven. En zijn familie zoekt niet naar zijn erfenis... ze zoeken naar wat hij in dat landhuis heeft verborgen.’






