Deel 4: De terugweg naar Utrecht
De schorsing van vijftien minuten werd al snel een uur. De griffier kwam meerdere keren naar binnen en naar buiten met dikke dossiers. Toen we uiteindelijk weer de rechtszaal betraden, was de sfeer totaal veranderd. Mr. De Vries zweeg. Hij keek naar zijn papieren alsof hij daar de aankondiging van zijn eigen ondergang op probeerde te lezen.
Rechter Veenstra keek ons aan met een blik waarin vermoeidheid en diepe ergernis elkaar afwisselden. “Meneer de Bruin,” begon de rechter, en zijn stem klonk nu minder als een arbiter en meer als een aanklager, “de stukken die door de getuige – mevrouw Ruth – zijn overhandigd en inmiddels zijn ingezien door uw raadsman, schetsen een heel ander beeld dan het beeld dat u aan het begin van deze zitting probeerde te schetsen.”
Rutger probeerde nog iets te zeggen. “Edelachtbare, het betreft privé-correspondentie die uit de context is getrokken…” “Zwijg, meneer de Bruin,” sneed de rechter hem de pas af. “U verklaarde onder aëde dat uw inkomen de afgelopen twee jaar is gekrompen tot een minimumloon-equivalent vanwege ‘tegenvallende bedrijfsresultaten’. Uit de digitale bestanden blijkt echter dat u in dezelfde periode drie buitenlandse reizen heeft gemaakt, een nieuwe leaseauto op naam van uw ‘zakelijke partner’ heeft gezet, en dat er maandelijks structurele bedden van duizenden euro’s worden overgemaakt naar een privérekening in het buitenland.”
Ik voelde de spanning in mijn schouders langzaam zakken. Niet helemaal – de schulden waren er nog, de rekeningen lagen nog steeds op de keukentafel te wachten, maar de leugen was doorgeprikt. Voor het eerst in twee jaar stond de waarheid zwart op wit.
“Wat betreft de achterstallige alimentatie,” ging Veenstra verder, “deze wordt per direct vastgesteld op het maximale bedrag over de afgelopen vierentwintig maanden, inclusief een wettelijke rente van twaalf procent wegenskwaadwilligheid. Daarnaast zal de officier van justitie een onderzoek instellen naar mogelijke belastingontduiking.”
Rutger zakken door zijn benen. Hij hield zich vast aan de tafel alsof hij flauwviel. Zijn dure pak leek ineens twee maten te groot voor hem. “En,” voegde de rechter eraan toe, terwijl hij naar Noud keek die inmiddels op mijn schoot zat te tekenen op een blaadje papier, “de omgangsregeling wordt per direct herzien. Voortaan zal de overdracht plaatsvinden via een neutral instantie. Geen rechtstreeks contact meer bij de woning van de moeder zolang de spanningen zo hoog oplopen.”
Toen we de rechtbank verlieten, scheen de middagzon op het plein voor het paleis van justitie. De lucht was helder blauw, precies zoals op het moment dat ik dat shirt kocht voor Noud. Mijn moeder sloeg een arm om me heen. “Nou,” zei ze met een droge glimlach, “dat is dan ook weer gebeurd. Zullen we friet halen?”
Ik moest lachen, hoewel de tranen nog steeds over mijn wangen liepen. Ik keek naar Noud. Hij droeg zijn jas open, en het zilveren maantje van zijn shirt glansde in het zonlicht. “Mam,” zei hij serieus, terwijl hij een steentje wegschopte. “Ja, schat?” “Wanneer gaan we echt naar de sterren kijken?” Ik pakte zijn hand vast en kneep erin. “Vanavond nog, liefje. Als het donker genoeg is.”
* * *






