Deel 10: Het bezoek aan de sterrenwacht
Die zaterdag nam ik Noud eindelijk mee naar de echte sterrenwacht in het bos buiten de stad. We hadden er lang voor gespaard – dit keer geen kledingkeuze om op te bezuinigen, maar een kaartje voor het planetarium en warme chocolademelk met slagroom toe. Noud had zijn ‘ruimtepak’-shirt weer aan. Het was inmiddels wat vaal geworden door het vele wassen, en het zilveren maantje begon los te laten aan één kant, maar voor hem was het nog steeds het mooiste kledingstuk ter wereld.
We stonden onder de grote koepel toen het licht uitging en de kunstmatige sterrenhemel boven ons oplichtte. Duizend lichtpuntjes, sterrenstelsels, nevels en planeten dreven geruisloos voorbij op het doek. Noud greep mijn hand vast. Zijn vingers waren warm. “Mam?” fluisterde hij in het donker. “Ja, schat?” “Wist je dat als een ster doodgaat, het licht nog heel lang doorreist naar de aarde?” “Ja, dat heb je me verteld.” “Dus zelfs als ze er niet meer zijn, kun je ze nog steeds zien.” Ik glimlachte in het donker, trok hem iets dichter tegen me aan en rook naar de geur van kinderzeep en herfstlucht. “Klopt, liefje,” zei ik zacht. “Sommige dingen verdwijnen nooit echt.”
Buiten woei de wind door de bomen van het Utrechtse bos, maar hier binnen, in het warme licht van duizend nagemaakte sterren, voelde het alsof we eindelijk thuis waren. Niet in een huis met een dure inrichting of een man die alles controleerde, maar op een plek waar we zelf de koers bepaalden. En voor het eerst in jaren wist ik precies waar we naartoe gingen.






