DEEL 13 — DE ZOEKTOCHT NAAR ELENA
De verbinding was verbroken.
Maar haar gezicht bleef op het scherm staan.
Mijn moeder.
Elena.
De vrouw van wie ik jarenlang had gedacht dat ze verdwenen was.
De vrouw die ik ooit had begraven in mijn gedachten, zonder ooit afscheid van haar te hebben genomen.
Nu wist ik dat ze leefde.
En dat ze bang was.
Niet voor mij.
Niet voor David.
Maar voor degenen die ons al die jaren hadden gevolgd.
Ik keek naar het zwarte scherm.
“Waar is ze?”
Mijn stem klonk bijna onhoorbaar.
Niemand antwoordde.
“Waar is mijn moeder?”
Dit keer schreeuwde ik.
Daan keek naar mijn vader.
Mijn vader keek naar de grond.
Dat was genoeg.
“Jullie weten het.”
Mijn handen begonnen te trillen.
“Jullie weten waar ze is.”
Daan liep naar de computer en controleerde de verbinding.
“De locatie is verborgen.”
“Kun je haar vinden?”
Hij zweeg.
“Daan.”
Hij keek me aan.
“Ik kan proberen haar laatste signaal te traceren.”
“Doe het.”
Hij ging achter de computer zitten.
Zijn vingers bewogen snel over het toetsenbord.
Op het scherm verschenen tientallen regels met cijfers, codes en onbekende namen.
Ik begreep er niets van.
Maar toen verscheen er één woord.
AMSTERDAM.
Mijn hart sloeg over.
“Ze is in Amsterdam?”
Daan schudde zijn hoofd.
“Niet precies.”
“Wat betekent dat?”
“Het signaal werd via meerdere servers doorgestuurd. Iemand probeert haar locatie bewust te verbergen.”
Mijn vader kwam dichterbij.
“Dat is typisch Elena.”
Ik draaide me naar hem om.
“Je zegt haar naam alsof je haar gisteren nog hebt gesproken.”
Hij antwoordde niet.
“Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?”
Mijn vader keek me recht aan.
“Elf jaar geleden.”
Ik voelde iets in mijn borst breken.
“Elf jaar?”
Hij knikte langzaam.
“Ze kwam toen naar me toe.”
“Waarom?”
“Omdat ze wist dat ze niet langer veilig was.”
Ik keek naar hem.
“En jij liet haar gaan?”
“Ze smeekte me.”
“Om wat?”
“Om jou niet te vertellen dat ze leefde.”
Ik kon mijn woede nauwelijks beheersen.
“Dus jullie hebben allemaal besloten dat ik beter af was zonder mijn eigen moeder?”
“Het was geen keuze tussen waarheid en leugen,” zei mijn vader zacht.
“Het was een keuze tussen jouw leven en haar leven.”
Ik wilde antwoorden.
Maar Daan stond plotseling op.
“Gevonden.”
Iedereen keek naar hem.
Hij draaide het scherm naar ons toe.
Een kaart verscheen.
Er stond één knipperend punt op.
Aan de rand van de stad.
Bij een verlaten industrieel terrein.
“Dat is haar laatste bekende locatie.”
“Wanneer?”
“Zeven minuten geleden.”
Mijn adem stokte.
“Dus ze is daar nu?”
“Waarschijnlijk.”
“Dan gaan we.”
Daan schudde onmiddellijk zijn hoofd.
“Niet zonder voorbereiding.”
“Ik wacht geen minuut langer.”
“Als Sentinel weet dat we haar signaal hebben gevonden, kan dit een val zijn.”
“Dan is het maar een val.”
Mijn vader pakte mijn arm.
“Luister naar hem.”
Ik keek naar zijn hand.
Toen naar zijn gezicht.
“Mijn hele leven hebben jullie mij verteld dat ik moest luisteren.”
Ik trok mijn arm los.
“Deze keer beslis ik zelf.”
Niemand hield me tegen.
* * *
Twintig minuten later zaten we in de auto.
Daan reed.
Mijn vader zat naast hem.
Ik zat achterin.
De stad gleed voorbij mijn raam.
Maar ik zag nauwelijks iets.
Mijn gedachten waren bij die ene vrouw.
Elena.
Hoe zou ze eruitzien?
Zou ze ouder zijn geworden?
Zou ze nog weten hoe ik eruitzag als kind?
Zou ze zich herinneren hoe ik vroeger haar hand vasthield wanneer ik bang was?
Of had ze zichzelf gedwongen om mij te vergeten?
Ik sloot mijn ogen.
En plotseling zag ik iets.
Een kamer.
Een klein meisje.
Een vrouw die naast haar bed zat.
Ze huilde.
Het meisje vroeg:
“Waarom huil je, mama?”
De vrouw glimlachte door haar tranen heen.
“Omdat ik van je hou.”
Ik opende mijn ogen.
Mijn hart bonsde.
“Stop.”
Daan keek in de achteruitkijkspiegel.
“Wat is er?”
“Ik herinner me iets.”
Mijn vader draaide zich om.
“Wat?”
“Mijn moeder.”
Niemand sprak.
“Ze zat naast mijn bed.”
Ik beschreef de kamer.
Het oude houten nachtkastje.
De blauwe gordijnen.
Een kleine zilveren ketting om haar hals.
Mijn vader werd bleek.
“Wat?”
“Die kamer,” fluisterde hij.
“Waar was die?”
Hij keek naar Daan.
“Dat was het huis in Utrecht.”
Ik fronste.
“Welk huis?”
“Het huis waar Elena en jij woonden voordat Sentinel jullie vond.”
Mijn hart begon sneller te kloppen.
“Bestaat het nog?”
Mijn vader knikte.
“Ja.”
Daan trapte plotseling op de rem.
De auto kwam abrupt tot stilstand.
“Wat doe je?”
Daan wees naar voren.
Een zwarte auto stond midden op de weg.
Motor uit.
Lichten uit.
Niemand erin.
Mijn vader keek gespannen.
“Ze weten dat we komen.”
Daan stapte uit.
Ik wilde hem volgen.
“Blijf hier.”
Maar ik luisterde niet.
Ik stapte ook uit.
De straat was verlaten.
Wind blies door de bomen.
Geen mensen.
Geen verkeer.
Alleen die zwarte auto.
Daan liep er langzaam naartoe.
Hij opende het portier.
Op de bestuurdersstoel lag een envelop.
Mijn naam stond erop.
VOOR MIJN DOCHTER.
Mijn hart stopte bijna.
Daan pakte de envelop.
“Niet aanraken.”
Maar ik wist al van wie hij was.
“Elena.”
Hij keek naar mij.
“Waarschijnlijk.”
Ik pakte de envelop.
Mijn vingers trilden toen ik hem opende.
Er zat slechts één vel papier in.
Ik las de eerste regel.
Als je dit leest, ben je dichter bij de waarheid dan ik ooit had gewild.
Mijn ogen vulden zich met tranen.
Daaronder stond:
Ga niet naar de locatie die David je zal geven.
Ik keek naar mijn vader.
Toen naar Daan.
“Waarom waarschuwt ze me voor David?”
Niemand antwoordde.
Ik las verder.
David zal zeggen dat hij je probeert te redden. Geloof hem.
Mijn adem stokte.
Maar geloof nooit dat hij je alles vertelt.
Daaronder stond een adres.
Mijn handen werden koud.
Het was geen verlaten fabriek.
Geen geheime bunker.
Geen verborgen laboratorium.
Het was een plek die ik kende.
Een plek waar ik jarenlang had gewoond.
Mijn oude ouderlijk huis.
Toen zag ik de laatste zin.
Kom alleen.
Ik keek op.
“Ze wil dat ik alleen ga.”
Daan schudde zijn hoofd.
“Dat gaat niet gebeuren.”
Maar mijn vader keek naar de brief.
Zijn gezicht veranderde.
“Ze heeft een reden.”
“Welke?”
Hij antwoordde zacht:
“Omdat Elena weet dat één van ons een verrader is.”
Op dat moment klonk er achter ons een geluid.
Een deur sloeg dicht.
We draaiden ons allemaal om.
Aan het einde van de straat stond een man.
Donkere jas.
Donkere hoed.
Hij keek rechtstreeks naar mij.
Toen draaide hij zich om en verdween tussen de gebouwen.
Daan rende achter hem aan.
“Blijf hier!”
Maar voordat ik kon reageren, trilde mijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Ik nam op.
Niemand sprak.
Toen hoorde ik een vrouwenstem.
Zacht.
Trillend.
Maar onmiskenbaar.
“Lieve schat…”
Ik vergat adem te halen.
“Ben jij het?”
Een korte stilte.
Toen fluisterde Elena:
“Je mag niemand vertrouwen.”
“Waar ben je?”
“Ik ben dichterbij dan je denkt.”
“Moeder…”
Mijn stem brak.
“Waarom heb je me verlaten?”
Aan de andere kant hoorde ik haar huilen.
“Ik heb je nooit verlaten.”
Toen klonk er een harde klap.
De verbinding viel weg.
Ik staarde naar mijn telefoon.
En precies op dat moment verscheen er een nieuwe melding.
JE HEBT 30 MINUTEN.
Daaronder stond één adres.
Mijn oude huis.
En een tweede bericht verscheen.
KOM ALLEEN, OF ELENA STERFT.
Ik keek naar mijn vader.
Naar Daan.
En voor het eerst wist ik zeker dat iemand ons al die tijd had bespied.
De vraag was alleen…
Wie?






