DEEL 2 — DE VRAAG DIE ALLES VERANDERDE
“Maar de verpleegkundige…”
Ze stopte midden in haar zin.
Ze keek naar mijn moeder.
Toen naar mij.
“Mevrouw De Wit, er klopt iets niet aan uw verhaal.”
Mijn moeder verstijfde.
“Wat bedoelt u?”
De verpleegkundige pakte het medische dossier.
“Uw dochter had geen verwondingen die passen bij alleen een auto-ongeluk.”
Mijn hart begon sneller te kloppen.
“Wat bedoelt u?”
“De arts heeft meerdere kneuzingen vastgesteld.”
Ze wees naar mijn arm.
“Maar deze verwonding…”
Ze wees naar mijn pols.
“…lijkt te zijn ontstaan vóór de botsing.”
Mijn moeder werd bleek.
“Dat is onmogelijk.”
De verpleegkundige keek haar strak aan.
“Dat is precies wat wij ook dachten.”
Op dat moment kwam de arts binnen.
Een man van ongeveer vijftig met grijs haar.
Hij stelde zich voor als dokter Van der Meer.
Hij keek eerst naar mijn dossier.
Daarna naar mijn moeder.
“Mag ik u iets vragen?”
Mijn moeder knikte.
“Was u aanwezig toen uw dochter werd gevonden?”
“Nee.”
“Dan is er iets vreemds.”
Hij draaide zich naar mij.
“Mevrouw De Wit, u had een kleine wond achter uw linkeroor.”
Ik raakte instinctief mijn hoofd aan.
“Ja?”
“Die wond komt niet van de botsing.”
Mijn moeder zei niets.
De arts keek opnieuw naar mij.
“Herinnert u zich wat de man naast uw auto zei?”
Ik dacht terug.
De zwarte handschoenen.
De koude blik.
De stem.
“Je had naar je moeder moeten luisteren.”
Ik vertelde het hem.
De arts schreef iets op.
Toen stelde hij een vraag die mijn hele leven veranderde.
“Eva, waarom zou iemand u waarschuwen om naar uw moeder te luisteren?”
Ik keek naar mijn moeder.
Zij keek weg.
Ik voelde plotseling dat de waarheid dichterbij was dan ooit.
“Dat wil ik ook graag weten.”
De arts keek naar mijn moeder.
“Mevrouw, zou u even buiten willen wachten?”
Mijn moeder protesteerde.
“Ze is mijn dochter.”
“Precies daarom.”
Ze verliet uiteindelijk de kamer.
Zodra de deur dichtviel, boog dokter Van der Meer zich naar me toe.
“Luister goed.”
Zijn stem werd zachter.
“Toen u vannacht werd binnengebracht, zat er iets in uw jaszak.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat?”
Hij haalde een klein plastic zakje tevoorschijn.
Daarin zat een oude sleutel.
Ik herkende hem onmiddellijk.
Mijn vader had die sleutel vroeger altijd aan zijn sleutelbos gedragen.
“Waar heeft u die gevonden?”
“Bij uw jas.”
“Dat kan niet.”
“Waarom niet?”
“Die sleutel heb ik twaalf jaar geleden begraven.”
De arts keek me verbaasd aan.
“Waarvoor diende hij?”
“Voor de kluis van mijn vader.”
Hij zweeg even.
“Misschien moet u die kluis opnieuw openen.”
Ik keek hem aan.
“Mijn moeder zei dat alles na zijn dood was weggegooid.”
De arts antwoordde:
“Dan heeft iemand tegen u gelogen.”
* * *
Een uur later kwam mijn zus Sanne binnen.
Ze droeg een dure jas en hield haar telefoon stevig vast.
“Eva…”
Ze probeerde te glimlachen.
“Hoe voel je je?”
“Beter.”
Ze ging naast mijn bed zitten.
“Het was verschrikkelijk toen ik hoorde wat er gebeurd was.”
Ik keek haar aan.
“Wie heeft je gebeld?”
“Moeder.”
“Hoe laat?”
Ze aarzelde.
“Rond middernacht.”
Ik keek naar de klok.
Het ongeluk was om 23.18 uur gebeurd.
Mijn moeder kon onmogelijk binnen enkele minuten hebben geweten dat ik in het ziekenhuis lag.
Tenzij…
ze al wist dat ik een ongeluk zou krijgen.
“Sanne.”
“Ja?”
“Waar was je gisteravond?”
Ze keek naar haar telefoon.
“Thuis.”
“Alleen?”
“Ja.”
“Joris?”
“Ook thuis.”
Ik knikte.
“Mooi.”
Ze keek me vreemd aan.
“Waarom vraag je dat?”
“Omdat ik probeer te begrijpen wie mij heeft aangereden.”
Haar gezicht veranderde.
Heel even.
Maar lang genoeg.
Ik zag angst.
“Eva, je moet hiermee stoppen.”
“Waarmee?”
“Met zoeken naar papa.”
Ik verstijfde.
“Ik heb zijn naam niet genoemd.”
Sanne stond abrupt op.
“Ik weet wat je doet.”
“Wat doe ik?”
“Je maakt alles kapot.”
“Wat?”
“Onze familie.”
Ik keek haar recht aan.
“Dan was onze familie blijkbaar al kapot.”
Ze draaide zich om.
Bij de deur bleef ze staan.
“Je weet niet wat papa heeft gedaan.”
“Vertel het me.”
Ze schudde haar hoofd.
“Dat kan ik niet.”
“Waarom niet?”
Ze keek me aan met tranen in haar ogen.
“Omdat ik bang ben dat ze jou ook zullen laten verdwijnen.”
Toen liep ze weg.
* * *
Die avond kon ik niet slapen.
Ik dacht aan de sleutel.
Aan Mila.
Aan mijn vader.
En aan Sanne.
Om 02.13 uur kwam dokter Van der Meer opnieuw binnen.
Hij sloot de deur.
“Eva.”
“Ja?”
“Ik heb iets ontdekt.”
Hij legde een map op mijn bed.
“Uw bloedonderzoek.”
Ik keek naar de papieren.
“Wat is hiermee?”
“Er zat een onbekende stof in uw bloed.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Vergif?”
“Niet precies.”
Hij schudde zijn hoofd.
“Een sterk kalmerend middel.”
Ik keek hem aan.
“Dus iemand heeft me gedrogeerd?”
“Waarschijnlijk.”
Hij keek naar de deur.
“En er is nog iets.”
“Wat?”
“Toen u werd binnengebracht, had u een klein stukje papier in uw hand.”
Hij schoof het naar me toe.
Ik vouwde het open.
Er stond slechts één zin:
“DE KLUIZEN VAN JE VADER ZIJN NIET LEEG.”
Ik keek naar de dokter.
“Waar is mijn telefoon?”
“Hier.”
Ik pakte hem.
Er stond één nieuw bericht.
Van Mila Vermeer.
“Eva, kom niet naar de kluis. Ze wachten daar op je.”
Ik staarde naar het scherm.
Toen kwam er een tweede bericht.
“Maar als je wilt weten waar je vader is, moet je toch gaan.”
Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.
Want onderaan stond een locatie.
Een verlaten opslagplaats in Rotterdam.
En daaronder drie woorden:
“Hij leeft nog.”






