Het geluid van de kiezels die onder iemands zware schoenen kraakten, sneed door de regenachtige stilte heen. Mijn hart sloeg een slag over en schoot als een wilde vogel in mijn keel. Ik stond als aan de grond genageld op de natte oprit, de telefoon nog strak tegen mijn oor gedrukt, terwijl de dode lijn een zacht, monotoon tuut-tuut-tuut bleef herhalen. Sophie, de secretaresse van notaris Hendriks, was zojuist in het notariskantoor aangevallen of minstens de mond gesnoerd. En nu stond er iemand in mijn achtertuin. Iemand die wist dat ik hier stond, alleen, kwetsbaar en totaal onwetend van wat er in die fatale zomer van 1980 en in de nacht van 14 augustus was gebeurd.
Met trillende handen liet ik mijn telefoon zakken. Ik wilde me omdraaien, wilde naar de voordeur rennen en mezelf in veiligheid brengen, maar mijn benen weigerden dienst. Ze voelden aan als lood. De regen sloot zich als een gordijn om mij heen, waardoor de contouren van de oude schuur en de hoge taxushaag in de mist vervaagden tot onheilspellende silhouetten. Langzaam, tergend langzaam, draaide ik mijn hoofd naar de plek waar het geluid vandaan was gekomen.
Uit de dichte nevel verscheen een gestalte. Een lange man in een donkere regenjas, met de kraag hoog opgeslagen en een donkere paraplu die zijn gezicht grotendeels aan het zicht onttrok. Hij bewoog zich met een kalme, haast roofdierachtige precisie. Er zat geen haast in zijn stappen, wat het des te angstaanjagender maakte. Hij wist dat ik nergens heen kon.
"Wie... wie ben jij?" hoorde ik mezelf met een hees, trillend stemmetje vragen. Het klonk niet als mijn eigen stem, maar als dat van een bang kind in het donker.
De man stopte op een meter afstand. Zijn schoenen stonden op de vochtige tegels van het terras. Langzaam hief hij zijn hand op en duwde de paraplu een stukje naar achteren. Een scherpe, koude windvlaag blies de regendruppels in mijn gezicht, maar mijn ogen waren gefixeerd op de man die voor me stond. Zijn gezicht was gegroefd door de tijd, zijn haar was grijs geworden, maar de ogen... die scherpe, ijsblauwe ogen waren zo pijnlijk bekend dat het leken alsof er een mes in mijn borst werd gedrukt.
"Hallo, Elizabeth," zei hij met een lage, warme stem die decennia lang in mijn herinnering verborgen was geweest. "Het is lang geleden. Vreemd dat je me niet meteen herkende, na alles wat we samen hebben gedeeld."
Mijn adem stokte. Mijn knieën knikten. Het kon niet waar zijn. Het was een visioen, een wrede hallucinatie opgewekt door de schok en de regen.
"Nee..." fluisterde ik, terwijl ik achteruitdeinsde tot mijn rug de koude bakstenen van de buitenmuur raakte. "Nee, dat kan niet. Jij bent... jij bent dood. Gerard heeft gezegd dat je..."
De man glimlachte flauw. Een trieste, bittere glམlimalach die zijn ogen nog killer maakte.
"Gerard heeft veel gezegd, Elizabeth," antwoordde Julian van der Meer zachtjes. "Of beter gezegd: hij heeft zijn hele leven lang gezwegen over wat hij mij heeft aangedaan. Maar sommige geheimen laten zich niet begraven in de poldergrond rond Gouda. En nu... nu is het tijd om de balans op te maken."
---






