Het feest was ten einde. Er viel niets meer te vieren. Binnen een half uur waren de gasten in stilte en verijdelde ontzetting vertrokken. Tante Marga had de huilende Lotte en Thomas mee naar hun huis genomen. Lotte wilde haar moeder niet meer aankijken. De blik van afschuw in de ogen van mijn dochter toen ze haar moeder achterliet, was een messteek in mijn hart.
De regen kwam met bakken uit de hemel vallen toen ik naar mijn auto liep op de parkeerplaats van het landgoed. De koele nachtlucht deed niets om de koortsachtige hitte in mijn hoofd te dampen. Astrid liep achter me aan. Ze droeg een dunne jas over haar feestkleding en rilde onbeheersbaar.
"Hendrik, stap alsjeblieft niet alleen in de auto," smeekte ze, terwijl de regen haar haren strak tegen haar schedel plakte. "Laat me meegaan. Laat me het uitleggen..."
Ik draaide me om. Midden op de donkere, natte parkeerplaats keek ik naar de vrouw met wie ik mijn leven had gedeeld.
"Uitleggen?" zei ik bitter. "Je hebt me vijfendertig jaar lang laten geloven dat Lars mijn vlees en bloed is. Je hebt een man laten verdwijnen. Je hebt een misdaad verzwegen. Míjn zoon... de jongen die ik heb opgevoed... weet niet eens wie hij is! Hij is ergens daarbuiten, alleen, getraumatiseerd, en hij denkt dat wij monsters zijn!"
"Ik wilde onze familie beschermen!" schreeuwde ze tegen de storm in.
"Je hebt onze familie vernietigd, Astrid!"
Ik stapte in mijn auto en sloeg het portier dicht. Astrid sloeg op de ruit, maar ik startte de motor, zette hem in zijn achteruit en reed met gierende banden de parkeerplaats af. In de achteruitkijkspiegel zag ik haar kletsnatte figuur langzaam kleiner worden onder de flikkerende lantaarnpaal, totdat ze verdween in de duisternis.
De rit van Oisterwijk naar Breda leek een eeuwigheid te duren. De ruitenwissers van mijn auto maakten een ritmisch, hypnotiserend geluid. Sprok... sprok... sprok. Mijn gedachten raasden sneller dan de wielen op het natte asfalt.
Wie was Lars dan werkelijk? Als hij niet mijn zoon was, en niet de biologische zoon van Astrid... wie waren zijn echte ouders? Waar had Victor Van de Ven die baby negen maanden voor mei 1990 vandaan gehaald? En het litteken op zijn rug... Lars had inderdaad een grillig, rood litteken tussen zijn schouderbladen. Astrid had me altijd verteld dat het een vreemde geboortevlek was, een hemangioom dat na zijn geboorte was ingedroogd. Het was dus geen geboortevlek. Het was een litteken. Een herinnering aan geweld.
En wie had Victor gedood in het oude tuinhuis? Astrid had gezegd: "iemand die mij wilde beschermen."
Wie? Ik was het niet. Ik lag die bewuste nacht in 1989 te slapen in ons huis aan de Baronielaan, onwetend van het drama dat zich enkele kilometers verderop afspeelde op het terrein van Houthandel Van Vliet.
Rond kwart over elf reed ik de industriële zone van Breda binnen. Het terrein van mijn bedrijf lag er verlaten bij. Het grote gietijzeren hek stond op een kier. Lars was hier dus geweest. Mijn hart sloeg een slag over.
Ik parkeerde mijn wagen vlak voor de grote opslagloods. Het duister op het terrein was om te snijden. Enkel het constante getik van de regen op de golfplaten daken van de loodsen doorbrak de stilte. Achter de hoofdmaggazijnen, helemaal achteraan op het perceel grenzend aan de spoorlijn, stond het oude tuinhuis. Het was een vervallen houten bouwwerk uit de jaren vijftig dat we al decennia enkel nog gebruikten als opslag voor oud roest, kapotte pallets en vergeten gereedschap.
Ik stapte uit de auto en pakte een zware zaklamp uit het handschoenenkastje. Met snelle, voorzichtige stappen liep ik langs de enorme stapels eikenhout en dennenhouten balken.
Toen ik de hoek om ging richting het oude tuinhuis, zag ik dat de zware houten deur wijd openstond. Een zwak geel licht schijn vanuit het binnenste van de schuur over de natte kasseien.
"Lars?" riep ik hees. "Lars, ben je daar?"
Er kwam geen antwoord. Enkel het geluid van de wind die door de kieren van het oude hout waaide.
Ik hief mijn zaklamp en stapte over de drempel van het tuinhuis. De geur die me tegemoetkwam was een vreselijke mengeling van muf hout, vocht, roest en... iets bitters. Iets dat leek op verbrande elektriciteit en oude aarde.
Het tuinhuis was een ravage. Oude houten stellingen waren omvergetrokken. Stof en spinnenwebben dwarsboomden het zicht. In het midden van de ruimte lag een grote schep, besmeurd met verse, natte klei.
Naast de schep zat een gat in de betonnen vloer. Een betonnen plaat, die daar schijnbaar al tientallen jaren onopgemerkt had gelegen onder een stapel verrotte houten pallets, was aan de kant geschoven.
Mijn benen begonnen te trillen. Ik stapte langzaam naar de rand van het gat en scheen met mijn zaklamp naar beneden.
Het gat was ongeveer een meter diep. In de donkere aarde lag niet enkel een verroest metalen kistje, maar ook iets anders. Witte, verweerde botten die uit een verrotte deken staken. Een menselijke schedel stak half uit de natte grond omhoog, met een kaak die schuin opengesperd stond alsof hij een eeuwige, stille schreeuw uitte.
"Mijn god..." fluisterde ik.
"Hij ligt er echt, pap."
Ik draaide me met een ruk om. In de donkerste hoek van het tuinhuis, zittend op een omgekeerde houten krat, zat Lars. Hij had de cassetterecorder op zijn schoot. Zijn kleding was besmeurd met zwarte modder en zijn handen waren vergeven van de schrammen en het bloed. In zijn rechterhand hield hij een oud, vergeeld document vast.
Zijn ogen staarden me aan. Ze waren roodgerand, maar zijn blik was berekend en ijskoud.
"Lars..." zei ik met verstikte stem. "Jongen... leg dat alsjeblieft neer. We moeten praten. Je moet me laten helpen."
Lars liet een korte, cynische lach horen. "Mij helpen? Hoe ga jij mij helpen, Hendrik? Kun jij mij een echte naam geven? Kun jij mij vertellen wie de vrouw is die mij gebaard heeft? Kun jij dit skelet hier op de grond weer tot leven wekken?"
Hij stond langzaam op van de krat en zette een stap in mijn richting.
"Mama heeft gelogen," zei Lars hees. "En het ergste is... het houdt hier niet op. Dit skelet in de grond? Dit is niet Victor Van de Ven."
---
# DE SCHADUW OP HET HUWELIJK (DEEL 4)





