De wereld buiten de schuur leek veranderd. De ooit zo vertrouwde tuin, waar ik zomers de rozen snoeide en waar Daan als klein kind op het gras speelde, voelde nu als een vijandig territorium. Elke struik leek een schuilplaats voor geheimen, elke schaduw een bedreiging.
De man met het litteken pakte me niet hardhandig vast, maar zijn fysieke aanwezigheid was dwingend genoeg. Hij hield de zware zaklamp losjes in zijn hand en wees naar de achteruitgang van de tuin, waar een klein houten poortje naar het achterliggende bos leidde. Een poortje dat ik al jaren niet meer had gebruikt en dat overwoekerd was door klimop.
"Lopen, Martha," zei hij op een toon die geen tegenspraak duldde. "Als we via de straatzijde gaan, zien de verkenners van Daan ons direct."
"Ik ga nergens heen met u," zei ik, al voelde de opstandigheid in mijn stem krachteloos. "U heeft me nog steeds niet verteld wie u bent."
"Mijn naam is Hendrik," zei hij kortaf terwijl hij de klimop met een krachtige haal van het poortje trok. Het oude hout kraakte protesteerde. "Ik was de partner van uw man. Niet in het adviesbureau, maar in de organisatie die hij dertig jaar lang heeft geholpen op te bouwen."
"Organisatie? Welke organisatie?"
Hendrik keek achterom, zijn ogen speurden de ramen van mijn huis af. "Uw echtgenoot was een informant voor de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, Martha. Hij hield zich bezig met het traceren van zwart geld van de zwaarste georganiseerde criminaliteit in West-Europa. Maar acht jaar geleden ontdekte hij dat het lek niet bij de criminelen zat, maar binnen de overheid zelf. En het spoor leidde rechtstreeks naar zijn eigen zoon."
Het bos achter mijn tuin was vochtig en koud. De bladeren onder onze voeten dempten onze stappen, maar het geluid van mijn eigen snelle ademhaling was onvermijdelijk. Ik probeerde de informatie te verwerken, maar mijn brein weigerde de puzzelstukken in elkaar te passen. Arthur, een spion? Daan, een crimineel? Het klonk als een slechte film, een absurd scenario dat niet paste bij het eenvoudige leven dat we altijd hadden geleid.
"Daan zei dat ú mijn man heeft vermoord," zei ik, terwijl ik probeerde gelijke tred te houden met zijn grote stappen. "Waarom zou ik u geloven boven mijn eigen zoon?"
Hendrik stopte abrupt. Hij draaide zich om en keek me recht in de ogen. Zijn blik was snijdend. "Omdat uw zoon u gebruikt als schild, Martha. Waarom denkt u dat hij u gisteravond belde met de boodschap dat u de deur op slot moest doen en op hem moest wachten? Omdat hij wist dat ik onderweg was. Hij wilde dat u in het huis bleef, zodat ik u niet kon bereiken voordat híj de papieren uit de schuur kon halen. Hij gebruikt uw angst om zijn eigen hachje te redden."
"Dat is niet waar!" roep ik uit. "Daan houdt van mij!"
"Daan houdt van geld en overleven," sneerde Hendrik. "Toen Arthur erachter kwam dat Daan de bankrekeningen van een cartelsyndicaat beheerde, probeerde hij hem te stoppen. Daan heeft zijn vader niet vergiftigd om hem te doden, nee. Hij diende hem langzaam doseringen van een neurotoxine toe om zijn geest te vertroebelen, zodat Arthur ontoerekeningsvatbaar zou worden verklaard. Zo kon Daan de controle over Arthurs geheime dossiers overnemen. Maar Arthur was sneller. Hij verborg de echte documenten op een plek die Daan nooit zou kunnen bedenken."
"In de schuur..." fluisterde ik.
"Nee," zei Hendrik, en er verscheen een grimmige trek op zijn gezicht. "De dozen in de schuur zijn afleidingsmanoeuvres. Lokaas dat Arthur heeft neergelegd voor het geval Daan ooit zou gaan zoeken. De echte documenten – de bewijzen die zowel de corruptie bij de overheid als het kartel kunnen vernietigen – liggen ergens anders. En de sleutel die u op de deurmat vond, sluit niet enkel het slot van de schuur."
Ik keek naar mijn hand. De roestige sleutel zat nog steeds diep in mijn jas geklemd.
"Wat bedoelt u?"
"Het zetslot op de schuurdeur was vers. Dat heb ik er drie weken geleden op gezet om te voorkomen dat Daans mensen er zomaar in konden," legde Hendrik uit. "Maar de sleutel zelf... die oude, roestige sleutel... die hoort bij een kluis. Een oude kluis in het bankgebouw in de binnenstad, een rekening die op úw naam staat. Een rekening die Arthur vijftien jaar geleden heeft geopend."
Mijn maag kromp ineen. Ik herinnerde me vaag een middag, jaren geleden, toen Arthur me meenam naar de NVB Bank in het centrum. Hij had me een stapel papieren laten tekenen onder het mom van een 'extra pensioenvoorziening'. Ik had nooit vragen gesteld. Ik had hem blind vertrouwd.
Plotseling klonk er een hard geritsel in het kreupelhout achter ons.
Hendrik reageerde razendsnel. Hij greep me bij mijn arm en trok me achter de dikke stam van een oude eikenboom. Hij bracht een vinger naar zijn lippen en reikte met zijn andere hand naar de binnenzak van zijn overjas. Dit keer haalde hij er wél een vuurwapen tevoorschijn – een matzwart pistool met een langgerekte geluidsdemper.
Mijn adem stokte. De realiteit van het gevaar sloeg met volle kracht in.
Door de bomen zag ik twee gestalten verschijnen. Ze droegen donkere tactische kleding en bewogen zich snel en geruisloos voort. Ze kwamen uit de richting van mijn tuin en volgden exact het spoor dat wij door het vochtige mos hadden achtergelaten.
"Ze zijn snel," fluisterde Hendrik dicht bij mijn oor. "Daan heeft professionele mensen ingeschakeld. Hij wil die sleutel, Martha. Ten koste van alles."
Eén van de mannen stopte op nog geen tien meter afstand van onze schuilplaats. Hij hield een compact automatisch wapen vast en keek zoekend rond. Zijn blik gleed over de eikenboom waartegen wij gedrukt stonden.
Op dat moment trilde de telefoon van Hendrik in zijn zak. Het zachte, doffe gonzen was in de kille bosstilte even luid als een donderslag.
De gewapende man keek op, richtte zijn wapen recht op onze boom en riep: "Daar zijn ze! Geef de sleutel af!"
Hendrik duwde me ruw aan de kant. "Rennen, Martha! Naar het spoorwegovergangetje! Niet omkijken!"
Terwijl Hendrik achter de boom vandaan stapte en het eerste schot loste – een dof, ingehouden pfft-pfft geluid – zette ik het op een lopen. De takken sloegen in mijn gezicht, mijn oude longen brandden van de kille lucht, maar de doodsangst dreef me voort. En achter mij klonk het geluid van voetstappen die snel dichterbij kwamen.






