De ochtendzon scheen fel door de bomen langs de straat, maar op onze stoep voelde het ijskoud aan. De twee agenten stonden daar met een ernstige blik in hun ogen. De langste van de twee, een man met een doorgewinterd gezicht en een net gepoetst politiebadge, legde zijn hand rustig op zijn riem. Alejandro stond naast me, zijn kleine hand klemde zich vast aan de mijne, zo stevig dat mijn knokkels wit wegtrokken. Ik voelde zijn trillingen door zijn hele lichaam gieren. Wat had hij in vredesnaam gedaan? Hij was een rustige jongen, een kind dat nooit problemen veroorzaakte, altijd zijn huiswerk maakte en zijn tijd doorbracht met muziek maken. Hoe kon hij verstrikt zijn geraakt in iets dat de politie naar ons huis bracht?
‘Mevrouw,’ begon de agent wiens naamplaatje agent Visser vermeldde, ‘maakt u zich alstublieft geen direct zorgen over arrestatie of geweld. Maar we zijn hier omdat er gisteravond iets buitengewoons is voorgevallen in het stadscentrum, en uw zoon… nou ja, uw zoon is het middelpunt van een zaak die momenteel heel de stad bezighoudt.’
Ik keek naar Alejandro, wiens ogen op de grond waren gericht. Zijn lippen trilden lichtjes. ‘Een zaak?’ vroeg ik, terwijl mijn stem oversloeg van angst en ongeloof. ‘Hij is dertien jaar oud! Wat kan hij in hemelsnaam hebben gedaan?’
Agent Visser keek naar zijn collega, een jongere agente die een klein notitieblokje in haar hand hield. ‘Het gaat niet alleen om de gitaar, mevrouw. Het gaat om de manier waarop die gitaar is verkocht, en vooral: aan wie, en wat er daarna is gebeurd bij de muziektheak en het centrale plein.’
Mijn hart bonsde in mijn keel. Gistermiddag had Alejandro gezegd dat hij de gitaar had verkocht aan een muziekwinkel in het oude stadscentrum. Hij had verteld dat de eigenaar hem een eerlijke prijs had gegeven, genoeg om die nieuwe, moderne rolstoel voor Elena te bekostigen. Hij had zelfs verteld dat hij de rolstoel eigenhandig had laten bezorgen bij Elena's huis, anoniem, zodat ze niet beschaamd zou worden. Dat was wat hij mij had verteld. Maar nu stonden hier agenten op de stoep die beweerden dat er veel meer speelde.
‘Kom alstublieft even mee naar buiten, naar de patrouillewagen,’ zei agent Visser vriendelijk maar beslist. ‘Er staat iemand op u te wachten die u graag wilt spreken. Iemand die u de volledige waarheid kan vertellen over de acties van uw zoon.’
Mijn geest maakte overuren. Wie kon er wachten? Was het Elena? Was haar vader boos? Of was de muziekwinkel eigenaar betrokken bij iets illegaids zonder dat Alejandro het wist? Met lood in mijn schoenen liep ik met Alejandro aan mijn hand naar de zwarte politieauto die met knipperende, stille lichten aan de kant van de weg stond geparkeerd. De ochtendwind bladerde door de blaadjes van de bomen, en de spanning bereikte een kookpunt toen de achterdeur van de wagen langzaam opengewerkte en een bekende gestuikte figuur naar voren stapte...






