Mijn moeder haalde mijn hele huis leeg, maakte €600 over van mijn
News Story

Mijn moeder haalde mijn hele huis leeg, maakte €600 over van mijn

0 weergaven

DEEL 6 — HET GELD WAS NOOIT WEG

Ik kon nauwelijks ademhalen.

“Bij iemand die ik al die jaren dacht te kennen?”

Erik knikte langzaam.

“Wie?”

Hij keek naar de vloer.

“Je moeder.”

Ik voelde mijn hele lichaam verstijven.

“Marieke?”

“Ja.”

“Maar ze is in Spanje.”

“Dat betekent niet dat ze het geld niet kan verplaatsen.”

Naomi was nog steeds aan de telefoon.

“Lotte, luister goed. We hebben de transacties kunnen volgen.”

“Waar is het geld?”

“Het bedrag is niet in één keer opgenomen.”

“Wat dan?”

“Het is opgesplitst in verschillende betalingen.”

“Waarheen?”

“Drie buitenlandse rekeningen.”

Mijn hart bonsde.

“Van wie?”

“Dat proberen we nog te achterhalen.”

Erik keek naar mij.

“Ze heeft dit al maanden voorbereid.”

“Waarom?”

“Omdat ze wist dat jij ooit achter de waarheid zou komen.”

Ik keek naar de lege kamer.

Plotseling zag alles er anders uit.

De verdwenen televisie.

De sieraden.

De meubels.

De €600.

Het waren niet de echte buit.

Het waren afleidingen.

Mijn moeder wilde dat ik zou denken dat ze alleen mijn spullen en wat geld had meegenomen.

Terwijl ze ondertussen probeerde een veel groter vermogen te verplaatsen.

“Waarom heeft ze mijn huis leeggehaald?” vroeg ik.

Erik antwoordde:

“Om bewijs te vernietigen.”

Ik keek hem aan.

“Welk bewijs?”

“Documenten. Foto's. Oude contracten. Alles wat naar je vader kon leiden.”

Ik liep naar mijn slaapkamer.

De laden lagen nog open.

Ik knielde bij mijn oude kast.

Er stonden dozen die mijn moeder blijkbaar had overgeslagen.

Ik trok er één uit.

Binnenin lagen schoolrapporten, oude brieven en foto's.

Ik begon alles door te zoeken.

Toen vond ik een envelop.

Mijn naam stond erop.

In het handschrift van mijn vader.

Voor Lotte. Alleen openen als ik er niet meer ben.

Mijn vingers begonnen te trillen.

Ik opende de envelop.

Binnenin zat een vel papier.

Slechts enkele regels.

Lotte,

Als je dit leest, is er waarschijnlijk iets misgegaan.

Vertrouw niet iedereen die beweert dat ik je niets heb nagelaten.

De waarheid ligt niet in mijn eerste testament.

Zoek naar de rekening die begint met 17.

En als Erik zegt dat hij alles voor je heeft beschermd, vraag hem dan waarom hij ooit geld van mij heeft aangenomen.

Ik keek naar Erik.

“Je wist van deze brief?”

Hij schudde zijn hoofd.

“Nee.”

“Mijn vader noemt jouw naam.”

“Ik weet het.”

“Hij vraagt waarom jij geld van hem hebt aangenomen.”

Erik sloot zijn ogen.

“Dat geld heb ik terugbetaald.”

“Wanneer?”

“Na zijn dood.”

“Hoe?”

Hij keek naar mij.

“Met geld uit kluis 17.”

Ik voelde woede opkomen.

“Dus je hebt geld uit die kluis gehaald?”

“Een deel.”

“Zonder mijn toestemming?”

“Je was toen niet de erfgenaam.”

“Maar volgens het testament wel.”

“Dat wist niemand.”

Ik keek naar de brief.

“Jij wist het.”

“Ja.”

“Mijn moeder wist het.”

“Ja.”

“En Sophie?”

Hij aarzelde.

“Waarschijnlijk.”

Ik keek naar Naomi.

“Kun je die rekening vinden?”

“Welke?”

“De rekening die met 17 begint.”

Ze bleef een paar seconden stil.

Toen zei ze:

“Wacht.”

Ik hoorde toetsen.

“Lotte…”

“Wat?”

“Er bestaat een rekening met dat nummer.”

“Op wiens naam?”

“Op naam van een stichting.”

“Welke stichting?”

Naomi zei de naam.

Ik kende hem.

Mijn vaders naam.

Stichting De Vries Erfgoedfonds.

“Dat fonds is nooit opgeheven,” zei Naomi.

“Hoeveel staat erop?”

“Volgens de laatste gegevens…”

Ze stopte.

“Ongeveer €1,87 miljoen.”

Ik keek naar Erik.

“Dus het geld is er nog?”

“Een deel.”

“Maar je zei dat mijn moeder het geld had.”

“Ik zei dat ze toegang probeerde te krijgen.”

Naomi onderbrak ons.

“Lotte, er is iets veranderd.”

“Wat?”

“De overboekingen zijn teruggedraaid.”

Ik kon het nauwelijks geloven.

“Wat?”

“Het geld is niet verdwenen.”

“Maar je zei dat de rekening leeg was.”

“De betaalopdracht is uitgevoerd, maar de ontvangende banken hebben de bedragen geblokkeerd.”

Ik voelde voor het eerst die avond een beetje opluchting.

“Dus het geld is veilig?”

“Voorlopig.”

“Waarom zei je dan dat het verdwenen was?”

“Dat dacht ik eerst. Maar we hebben zojuist aanvullende informatie ontvangen.”

“Welke informatie?”

Naomi's stem werd ernstig.

“De persoon die de transacties heeft geïnitieerd, gebruikte niet alleen jouw identiteit.”

“Wat nog meer?”

“De digitale handtekening van je vader.”

Ik keek naar Erik.

“Dat is onmogelijk.”

“Precies.”

“Mijn vader is dood.”

“Dat weten we.”

“Dus iemand gebruikt zowel mijn identiteit als die van mijn vader.”

“Ja.”

De kamer voelde plotseling ijskoud.

De politieagent pakte zijn telefoon.

“We moeten weten wie toegang had tot de oude documenten van je vader.”

Ik keek naar Erik.

Hij zei:

“Je moeder.”

“Wie nog meer?”

Hij zweeg.

“Erik.”

“Je zus.”

Mijn maag draaide om.

“Sophie?”

“Ja.”

“Hoe?”

“Je vader had haar ooit geholpen met een lening.”

“Wanneer?”

“Een paar maanden voor zijn dood.”

“Hoeveel?”

“€80.000.”

Ik keek naar de lege muur.

“Waarom heeft niemand me dat verteld?”

“Omdat je vader niet wilde dat jij je zorgen maakte.”

“En heeft Sophie die lening terugbetaald?”

Erik keek weg.

“Nee.”

Naomi zei plotseling:

“Lotte, ik heb iets gevonden.”

“Wat?”

“Een deel van de €600 die van jouw rekening werd overgemaakt, ging naar een rekening die op naam staat van Sophie.”

“En de rest?”

“Een kleine betaling ging naar een rekening die verbonden is aan een notaris.”

“Welke notaris?”

Naomi noemde de naam.

Ik herkende hem meteen.

Het was dezelfde naam die op de valse volmacht stond.

De agent keek naar mij.

“Dat kan geen toeval zijn.”

Ik schudde mijn hoofd.

“Nee.”

Toen pakte Erik de sleutel van tafel.

“Daarom moeten we naar Rotterdam.”

“Nu?”

“Ja.”

“Waarom zo snel?”

Hij keek naar de voordeur.

“Omdat als je moeder weet dat we de sleutel hebben gevonden, ze niet zal wachten.”

“Ze is in Spanje.”

“Dat denk je.”

Ik keek hem aan.

“Wat bedoel je?”

“Je moeder heeft je verteld dat ze naar Spanje ging.”

“Ja.”

“Maar ze is nooit naar Spanje gevlogen.”

Ik voelde mijn hart stoppen.

“Hoe weet je dat?”

“Een vriend van mij werkt op Schiphol.”

“Dus waar is ze?”

Erik keek naar mij.

“Ze heeft Nederland niet verlaten.”

Op dat moment kwam er een melding op mijn telefoon.

Een foto.

Vers van een beveiligingscamera.

Ik opende hem.

Het beeld toonde een vrouw met een donkere jas.

Ze liep door een parkeergarage.

Ik herkende haar onmiddellijk.

Mijn moeder.

Onder de foto stond één zin:

Ze is op weg naar kluis 17.

Ik keek naar Erik.

Hij werd lijkbleek.

“Ze heeft de sleutel.”

“Welke sleutel?”

Hij wees naar mijn hand.

“Niet die.”

“Wat bedoel je?”

“Je vader had twee sleutels.”

Ik keek naar het kleine messing sleuteltje met nummer 17.

“Waar is de tweede?”

Erik antwoordde:

“Bij Sophie.”

Toen hoorden we buiten opnieuw een auto stoppen.

Dit keer waren het geen onbekenden.

Ik liep naar het raam.

Een politieauto stond voor mijn huis.

Daarachter stond een zwarte bestelwagen.

De achterdeuren gingen open.

Twee agenten stapten uit.

Eén van hen liep rechtstreeks naar onze voordeur.

Hij hield een plastic bewijszak omhoog.

Daarin zat een sleutel.

Een grote, oude messing sleutel.

En op het label stond:

17 — KLUISEIGENAAR.

De agent keek naar mij.

“Lotte, we hebben deze sleutel gevonden in de auto van je moeder.”

Ik keek naar Erik.

Hij fluisterde:

“Dan zijn we te laat.”

Maar op dat moment ging mijn telefoon opnieuw.

Een bericht van mijn moeder.

Kom naar Rotterdam. Alleen.

Daaronder stond:

Als je wilt weten wie je vader werkelijk heeft vermoord, neem dan de tweede sleutel mee.