DEEL 2 — DE STEM AAN DE ANDERE KANT VAN DE LIJN
Ik drukte op Opnemen.
“Lotte?”
De stem van mijn moeder klonk anders dan in haar e-mail.
Niet zelfverzekerd.
Niet spottend.
Ze klonk bang.
Ik keek naar de politieagent die tegenover me stond. Hij knikte langzaam en wees naar mijn telefoon.
Luidspreker.
Ik zette het gesprek op speaker.
“Ja, mam.”
Er viel een stilte.
“Lotte, luister naar me. Er is een enorm misverstand.”
Ik keek naar mijn lege woonkamer.
Een enorm misverstand.
Mijn televisie was verdwenen.
Mijn sieraden waren verdwenen.
Mijn vaders kristallen glazen waren verdwenen.
Mijn slot was beschadigd.
En mijn moeder stond waarschijnlijk ergens op een luchthaven in Spanje te wachten tot de bank haar geld terug zou geven.
“Wat voor misverstand?” vroeg ik rustig.
“De bank heeft onze rekeningen geblokkeerd.”
“Dat hoorde ik.”
“Ze zeggen dat jij een fraudemelding hebt gedaan.”
“Ik heb geen melding hoeven doen.”
Mijn moeder zweeg.
Naomi keek naar mij en maakte een klein gebaar dat ik vooral moest blijven luisteren.
“De bank heeft zelf alarm geslagen,” zei ik.
“Maar jij moet hen bellen en zeggen dat alles in orde is.”
“Waarom?”
“Omdat het jouw geld is!”
Ik glimlachte flauwtjes.
“Precies.”
Opnieuw stilte.
Toen hoorde ik Sophie op de achtergrond.
“Geef mij die telefoon!”
Mijn moeder zei iets onverstaanbaars.
Daarna klonk Sophies stem.
“Lotte, je maakt dit groter dan het is.”
Ik keek naar de agent.
Hij schreef iets op in zijn notitieboek.
“Jullie hebben mijn huis leeggehaald,” zei ik.
“We hebben alleen meegenomen wat van ons was.”
“Mijn televisie?”
“Die heb jij toch gekregen van opa?”
“Mijn vloerkleed?”
“Dat lag in het huis waar wij vroeger woonden.”
“Mijn sieraden?”
Sophie antwoordde niet.
Ik hoorde haar ademhaling veranderen.
“Dat zijn familiebezittingen,” zei mijn moeder plotseling.
Naomi keek me recht aan.
Ik wist genoeg.
“Mijn moeder,” zei ik rustig, “ik heb foto's van al mijn spullen. Inclusief serienummers en aankoopbewijzen.”
Geen antwoord.
“En ik heb foto's van mijn vaders kristallen glazen.”
Mijn moeders adem stokte.
“Die glazen waren van mijn vader,” zei ze.
“Nee.”
Mijn stem bleef kalm.
“Die waren van míjn vader. En hij heeft ze persoonlijk aan mij gegeven.”
“Lotte…”
“En voordat jullie vertrokken, hebben jullie een document gebruikt om toegang te krijgen tot mijn rekening.”
“Dat is niet waar.”
“De bank heeft het document.”
Mijn moeder werd stil.
Naomi schreef iets op.
Toen vroeg ze me zacht:
“Vraag haar wie het document heeft opgesteld.”
Ik keek naar de telefoon.
“Wie heeft die volmacht opgesteld, mam?”
“Welke volmacht?”
“Die met mijn handtekening.”
“Dat weet ik niet.”
“Wie heeft de notariële verklaring geregeld?”
Weer stilte.
Toen hoorde ik Sophie op de achtergrond fluisteren:
“Mam, zeg niets.”
Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.
De agent keek op.
Hij had het ook gehoord.
Mijn moeder begon snel te praten.
“Lotte, luister. Sophie heeft alleen geprobeerd te helpen. We dachten dat jij ons toestemming had gegeven.”
“Wanneer?”
“Je hebt het ons mondeling gezegd.”
“Wanneer?”
“Ik weet het niet meer precies.”
“Interessant.”
“Je was boos op ons en daarom doe je nu alsof je niets hebt toegestaan.”
Ik keek naar het lege frame waar ooit een foto van mijn vader had gehangen.
“Dan zullen we het laten uitzoeken.”
“Wat bedoel je?”
“Door de politie.”
Mijn moeder begon onmiddellijk te huilen.
Niet zacht.
Niet verdrietig.
Het soort huilen dat ze vroeger gebruikte wanneer ze merkte dat een discussie niet meer in haar voordeel verliep.
“Je gaat je eigen familie aangeven?”
“Jullie hebben mijn huis betreden zonder toestemming.”
“Wij zijn familie!”
“Jullie hebben mijn spullen meegenomen.”
“Wij dachten dat we daar recht op hadden.”
“En jullie hebben geld van mijn rekening laten overboeken.”
“Het was maar zeshonderd euro!”
De kamer werd stil.
De agent stopte met schrijven.
Naomi keek naar mij.
Mijn moeder had zojuist zelf gezegd dat het geld was overgemaakt.
Ik zei niets.
Ik liet haar verder praten.
“Lotte,” zei ze zachter, “we kunnen dit oplossen.”
“Hoe?”
“Wij brengen de spullen terug.”
“Waar zijn ze?”
“Bij Sophie thuis.”
De agent schreef verder.
“En mijn geld?”
“Dat komt terug.”
“Wanneer?”
“Zodra de bank de rekening vrijgeeft.”
Naomi schudde onmiddellijk haar hoofd.
Ik zei:
“De bank heeft jullie rekening geblokkeerd omdat er fraude is vermoed.”
“Maar jij kunt dat oplossen.”
“Niet ik.”
“Lotte, alsjeblieft.”
Mijn moeder klonk nu bijna wanhopig.
Ik keek naar Naomi.
Ze wees naar de map op tafel.
“Vraag haar naar de handtekening.”
Ik haalde diep adem.
“Waarom staat mijn handtekening op de volmacht?”
“Je hebt die gezet.”
“Ik heb die niet gezet.”
“Dan moet je je herinneren wanneer je hem hebt getekend.”
“Dat kan niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik drie maanden geleden mijn handtekening bij de bank heb laten registreren voor een nieuw beveiligingsprofiel.”
Naomi knikte.
“En daar zit het probleem,” zei ze.
Mijn moeder hoorde haar.
“Wie is daar?”
Ik antwoordde niet.
Naomi boog zich naar voren.
“Lotte, vraag haar of ze de naam kent van de notaris.”
Ik deed het.
“Ken je de notaris die op het document staat?”
Mijn moeder zei niets.
Toen hoorde ik Sophie fluisteren:
“Ze kan het niet weten.”
Ik keek naar de agent.
Hij schreef die zin letterlijk op.
“Wie kan het niet weten?” vroeg ik.
Geen antwoord.
“Wie?”
Mijn moeder begon te huilen.
Sophie schreeuwde iets op de achtergrond.
Daarna werd de verbinding plotseling verbroken.
Ik keek naar mijn telefoon.
Gesprek beëindigd.
De agent stond op.
“Dat was interessant.”
Naomi stuurde me ondertussen een bericht.
Kijk naar pagina vier van het document.
Ik opende de digitale kopie die ze naar mijn telefoon had gestuurd.
Pagina vier.
Onderaan stond de naam van de getuige.
Ik las hem één keer.
Toen nog een keer.
Mijn hart begon sneller te kloppen.
De naam was mij bekend.
Veel te bekend.
Het was dezelfde achternaam als die van de notaris die mijn moeder jarenlang gebruikte voor haar zakelijke documenten.
Maar dat was niet het ergste.
Naast de naam stond een datum.
17 mei.
Op die datum was ik helemaal niet in Nederland geweest.
Ik was in Frankrijk.
Ik had hotelboekingen.
Treinkaartjes.
Betalingen met mijn bankpas.
En honderden foto's op mijn telefoon.
Mijn handtekening kon dus onmogelijk die dag voor een notaris zijn gezet.
Ik keek naar de agent.
“Dit document is vervalst.”
Hij antwoordde rustig:
“Dat vermoeden hadden we al.”
“Maar waarom zei Naomi dat ik het eerst zelf moest zien?”
De agent keek naar de map.
“Omdat er nog iets op dat document staat.”
Ik bladerde naar de laatste pagina.
Daar stond een extra bijlage.
Een lijst van alle bezittingen die uit mijn huis waren meegenomen.
Televisie.
Sieraden.
Laptop.
Kristallen glazen.
Lampen.
Meubels.
Zelfs de oude horloge van mijn vader.
Naast ieder voorwerp stond een geschatte waarde.
Onderaan stond een totaalbedrag.
€38.740.
Ik staarde ernaar.
Mijn moeder had niet zomaar mijn huis leeggehaald.
Ze had alles geïnventariseerd.
Geprijsd.
En blijkbaar gepland om het ergens te verkopen.
Maar toen zag ik iets waardoor mijn handen begonnen te trillen.
Onder de lijst stond één zin:
“De erfgenaam verklaart hierbij vrijwillig afstand te doen van alle genoemde bezittingen.”
En daaronder stond mijn naam.
Maar niet mijn handtekening.
Een andere handtekening.
Een handtekening die bijna perfect op de mijne leek.
Bijna.
De agent keek naar mij.
“Lotte, we moeten je iets vertellen.”
“Wat?”
Hij legde zijn telefoon op tafel.
“De politie heeft zojuist camerabeelden opgevraagd van je huis.”
Hij draaide het scherm naar mij toe.
“En we hebben gezien wie als eerste je woning binnenging.”
Ik keek naar het beeld.
Mijn adem stokte.
Het was niet mijn moeder.
Niet Sophie.
Het was iemand die ik al bijna tien jaar vertrouwde.
En die persoon droeg op de beelden een sleutel van mijn voordeur.
Een sleutel die ik nooit aan hem had gegeven.
Toen zag ik zijn gezicht duidelijk op het scherm.
Mijn eigen oom.
De broer van mijn vader.
En ineens begreep ik iets veel ergers.
Dit ging nooit alleen om €600.






