Deel 2: De Vlucht in de Nacht
De militaire basis lag gehuld in een kille, nevelachtige duisternis toen ik mijn uitrusting controleerde. Mijn handen bewogen met de precisie van een machine. Geen trilling, geen twijfel, alleen pure, ijskoude focus. Buiten zoemde de motor van een gereedstaande transporthelikopter al met een diepe, trillende bas die door de betonnen vloer trilde. Mijn commandant, kolonel Van der Meer, stond met zijn armen over elkaar bij de ingang van de commandopost.
Zijn blik was zwaar en doorwoogd. Hij wist wat het moederschap betekende, maar hij kende mij ook als een van zijn meest koelbloedige tactische specialisten. Hij had geen vragen gesteld nadat hij het voicemailbericht van Ryan en de medische verklaring van het ziekenhuis had gelezen. Hij had alleen gezegd wat er gezegd moest worden.
‘Het team staat stand-by, Nia,’ zei hij toen ik naar buiten liep met mijn plunjezak over mijn schouder. ‘Vier operators. Geen officiële missie, dus we vallen onder de radar. Wat je daar aantreft, los je op zoals jij dat goed acht. Maar vergeet niet: ze hebben geld, ze hebben invloed en ze hebben advocaten die tot de tanden zijn gewapend. Zorg dat je waterdicht bewijs hebt.’
‘Ik heb meer dan bewijs, kolonel,’ antwoordde ik kort. ‘Ik heb de stem van mijn dochter die vertelt wie haar botten heeft gebroken.’
Ik stapte in de helikopter. De cabine ruikt naar koud metaal, olie en de vertrouwde geur van adrenaline. Naast me zaten sergeant De Jong en korporaal Bakker. Ze zeiden niets. Ze keken me niet eens direct aan, uit respect voor de furie die onder mijn kalme oppervlak kolkte. Ze wisten dat wanneer Nia de Vries op pad ging voor haar familie, er geen genade bestond.
Terwijl de helikopter opsteeg en de lichten van de basis onder ons verdwenen in de nacht, haalde ik mijn telefoon tevoorschijn. Het scherm lichtte op in het donker. Ik luisterde opnieuw naar het laatste fragment van het telefoongesprek met Elise. Die zin galmde door mijn hoofd: ‘Ik heb een opname gemaakt.’ Wat had ze kunnen opnemen? Een kind van acht jaar dat in paniek is, verstopt zich niet zomaar met een opnameapparaat, tenzij ze iets gehoord had wat haar doodsangst had ingeboezem.
Ryan bleef me ondertussen bestoken met appjes en gemiste oproepen. ‘Nia, luister nou, het was een ongeluk, de meiden wilden alleen spelen, haal de politie er niet bij, mijn vader regelt dit wel!’ Dat was zijn standaardreactie op alles. De familie van Ryan was er een van generatielange arrogantie. Zijn vader, een gepensioneerde generaal-majoor met nauwe banden binnen het ministerie van Justitie, en zijn stiefmoeder, een invloedrijke advocate die de lokale rechtbanken naar haar hand zette, hadden Ryan altijd geleerd dat hun bloed dikker was dan wetten.
Ze geloofden dat hun status een vrijbrief was voor geweld. Maar ze wisten niet dat een moeder die tot het uiterste is gedreven, geen boodschap heeft aan titels. Terwijl de helikopterkoppen door de wolken sneden richting het westen, voelde ik de adrenaline door mijn aderen stromen. Mijn dochter lag daar in dat ziekenhuisbed met elf gebroken botten, mishandeld door twee tantes die dachten dat ze ermee weg zouden komen. Nog even, dacht ik bij mezelf, en dan betreed ik hun wereld. En ze zullen wensen dat ze nooit aan mijn kind hadden durven komen.
* * *






