Deel 11: Terug naar het landhuis bij ochtendgloren
De ochtendmist hing dik over de oprijlaan van het landhuis toen ik met piepende banden tot stilstand kwam voor de hoofdingang. Het contrast met gisteravond kon niet groter zijn. Toen heerste er nog arrogante pracht en praal; nu leek het landgoed verlaten, als een spookstad uit een slechte film. De ramen waren donker, en nergens was een teken van leven te bekennen, behalve de auto van Adrian Graves die nog steeds schuin op de parkeerplaats stond geparkeerd.
Ik stapte uit, liep resoluut naar de massieve houten voordeur en merkte dat die niet op slot was. Met een harde duw zwiepte de deur open en trad ik binnen in de stille hal waar het marmer kil glansde in het vroege ochtendlicht. ‘Is hier iemand?’ riep ik, en mijn stem weerkaatste hol door de hoge gangen. Geen antwoord. Ik liep door naar de eetzaal, waar de resten van het diner van gisteravond nog onaangeroerd op tafel stonden: de halfvolle glazen wijn, het porselein, de lege stoelen.
Maar er was iets anders in de kamer. Een vreemde, chemische geur hing in de lucht, vermengd met de geur van dure sigarenrook. Op de mahoniehouten tafel lag een handgeschreven briefje met mijn naam erop, geschreven in het haastige, trillende handschrift van mijn vader. Ik liep erop af en pakte het papier op. Het bericht was kort en angstaanjagend: ‘Victoria, ren weg zolang het nog kan. Sterling weet dat je komt. Hij heeft alles.’ Voordat ik kon reageren op de waarschuwing, hoorde ik het geluid van zware voetstappen achter me in de gang.
Ik draaide me om, maar te laat. Een zware schaduw verscheen in de deuropening, en voordat ik kon schreeuwen, voelde ik een doffe klap op mijn achterhoofd en zakte de wereld om me heen weg in een totale duisternis. Wat was er gebeurd? Wie had mij opgewacht in het huis van mijn vader? En waar was Arthur gebleven? Terwijl mijn bewustzijn weggleed, hoorde ik nog net een bekende stem fluisteren: ‘Welkom thuis, kleine meid. Het spel is uit.’






